Een terechtstelling in Rijswijk
Peter Breedveld

Was het zijn boeventronie of waren het de antwoorden die hij gaf? We zullen het nooit weten, maar er was in elk geval iets dat mr. Gaspar van Kinschot, baljuw te Rijswijk, deed vermoeden dat de arrestant die voor hem stond geen gewone landloper was.
De man, Jan Meijer, was opgepakt tijdens een routine-inspectie van de plaatselijke herbergen, waarbij naar ‘vagabonden ende lediggangers’ werd gezocht. We schrijven 19 juni 1722.
Van Kinschot informeerde bij de hoofdofficier van Amsterdam, waar Meijer vandaan kwam, en zijn vermoedens werden bevestigd: hij had een echte boef te pakken. En geen kleintje ook. Jan Meijer werd al vijf jaar lang gezocht wegens de moord op Klijn Jaapje.
Klijn Jaapje was Meijers celmaat geweest in de Amsterdamse gevangenis, waar hij had gezeten wegens valsspelerij. Eenmaal uit het gevang ontslagen, bleven de twee met elkaar optrekken. Maar bij een ruzie, midden op straat, trok Meijer zijn mes en stak Jaapje in de hals. Terwijl Jaapje lag dood te bloeden, probeerden omstanders Meijer aan te houden, terwijl ze riepen: “Hout den moordenaar!” Meijer zwaaide echter wild met zijn mes in het rond. “Laat mij lopen”, beet hij de mensen toeg. “Ik ben een man des doods”.
Dus lieten ze hem maar lopen.
Meijer was een uitermate gewelddadige figuur. In 1712 was hij al veroordeeld tot geseling en twaalf jaar verbanning uit Amsterdam wegens het beroven van een Deense predikant. Na de moord op Jaapje maakte hij deel uit van een roversbende. Zijn kornuiten hadden klinkende namen als Smousse Mi, Mooy Pietje, Casper de Mof en de Brander. Meijer had zichzelf ook een pseudoniem aangemeten: Jan de Pruck.
Baljuw Van Kinschot zal dus wel blij zijn geweest met de vangst. Maar om Meijer te kunnen veroordelen, was wel een volledige bekentenis nodig van de verdachte zelf. Zo gemakkelijk gaf Meijer zich echter niet gewonnen. Zelfs met de duimschroeven om en op de pijnbank is hij ‘bij sijn ontkenningen hartnekkig blijven persisteren’.
Van Kinschot vond in Amsterdam allerlei lieden die tegen Meijer wilden getuigen: iemand die de moord op Jaapje had gezien en vroegere kornuiten van Meijer die hem ‘een valse speelder’ noemden. Ook dook er een wraakzuchtige ex-echtgenote genaamd Leijsje op. Die was door haar man ‘malitieuselijk verlaten’. Ze verklaarde dat hij het had gehouden met een hoer en dat hij zijn brood had verdiend met het ronselen van mensen. Het deed Meijer niks. Hij blééf ontkennen. Daarom liet Van Kinschot hem weer martelen.
Na drie maanden, op 7 september 1722, had hij dan eindelijk succes. Meijer sloeg door en legde een bekentenis af, ‘sulx met sijn eyge handtekeninge confirmerende’. Twee dagen later trok hij die doodleuk weer in. Van Kinschot, razend natuurlijk, liet hem voor de derde keer naar de pijnbank slepen, ‘omme hem bij zijne confessie te doen persisteren’. Dat trok Meijer niet meer. Nog voordat de beul hem met een vinger had aangeraakt legde hij jammerend opnieuw een verklaring af, dit keer in het bijzijn van de leden van de Vierschaar, een soort rechtbank. Die liet er geen gras over groeien en veroordeelde Meijer diezelfde dag nog tot de doodstraf.
Meijer zou op vrijdag 18 september naar het schavot worden gebracht, dat voor de gelegenheid was opgericht voor de herberg ‘Het Wapen van de Prins van Oranje’, tevens Rechthuis, aan de Kerklaan tegenover de Rijswijkse Oude Kerk. Daar zou eerst Meijers rechterhand worden afgekapt, waarna hij zou worden opgehangen ‘met desselfs afgekapte hand boven het hooft’.
Nu was er in Rijswijk al bijna zestig jaar niemand meer opgehangen en het hout van de galg, die dus al die tijd ongebruikt was gebleven, was inmiddels verrot. De Rijswijkse meestertimmerman Jacob Kruiningh maakte het ding voor de somma van dertig gulden weer helemaal in orde. Die vrijdag werd de executie voltrokken.
Meijers lijk bleef nog een paar uur voor het Rechthuis hangen waarna hij van de galg werd losgemaakt en werd overgebracht naar het Rijswijkse galgeveld, langs de Trekvliet nabij de Laakmolen. Daar werd hij opnieuw opgehangen ‘omme door de wind en lugt te werden verteert’.
Ook vanuit Den Haag werd de hele zaak blijkbaar met belangstelling gevolgd. De Haagse drukker Pieter van Zanten maakte een rijk geïllustreerd vlugschrift waarop de daden van Meijer en zijn executie tot in de laatste sappige details werden beschreven. Het vlugschrift bevatte een sneldicht waarin de lezers er maar weer eens op werden gewezen dat misdaad echt niet loont:
‘Dit is het Loon van die, die weegen gaen
Aenschouwers al neemt hier een Spiegel aen
Hoe dat de vreugt in droefheyt is voldaen
Gelijck als ider nu kan schouwen aen’.
Eerder gepubliceerd in de Haagsche Courant. Bronnen: Kroniek, tijdschrift van de Historische Vereniging Rijswijk, januari 1987; Geschiedenis van Rijswijk, 1997.





RSS