Hendrikus & Ingrid-Anne
Justine le Clercq

Scene uit Sword of Doom.
Het schijnt onstuitbaar te zijn: de opmars van discriminatie, van racisme, van de PVV. Allemaal zichtbaar door een reeks openbare incidenten met een hoofdrol voor Henk & Ingrid. Tenminste, dat is wat ik lees. Uit eigen ervaring weet ik het niet, want ik ken geen Henk & Ingrid. In de wereld waarin ik leef heten ze Sjonnie & Anita, of ze heten Hendrikus & Ingrid-Anne. Die tussenvorm ken ik niet. Rob Wijnberg schreef dat ze in voetbalstadions komen, maar mijn bomberjack heb ik al dertig jaar geleden verkocht.
Op De Correspondent beschrijft Arjen van Veelen de verblijfplaats van Henk & Ingrid: een Vinexwijk. De blanke Nederlanders die daar wonen voelen zich verdrukt. Dat idee leeft nu zo sterk dat ze er klaar voor zijn om hele massa’s gekleurde mensen het land uit te flikkeren. Dat schept ruimte.
Gewone man
Bas Heijne en Lodewijk Asscher beaamden dat, van die verdrukking. Zo betoogden zij op tv dat al die nare ontwikkelingen ontstaan omdat er naar de gewone man al heel lang niet geluisterd is. Die gewone man – de buschauffeur, de winterschilder, de stukadoor – daar zit de pijn, zit de ontevredenheid, het wantrouwen, de angst, wat weer de voedingsbodem is voor discriminatie en racisme.
Met andere woorden, het zit niet bij de hoger opgeleiden, niet bij de regering of de columnschrijver, niet bij de elite, niet bij de NPO of de kranten. Het zit bij Henk de buschauffeur en Ingrid de verpleegster. Maar die conclusie zit me sinds kort niet lekker.
Na de zomer stond ik op een vernissage. Een vernissage is voor Hendrikus & Ingrid-Anne wat een voetbalkantine is voor Henk & Ingrid, maar dan met een wijntje, met elegante omgangsvormen en grammaticaal correcte zinnen, met hier en daar een zegelring aan de pink, met buffers op de bankrekening.
Ongewenste meute
Hendrikus zei tegen mij: ‘Laat ze maar allemaal vertrekken,’en hij wierp met zijn handen denkbeeldig de ongewenste meute over de heining. Hij glimlachte. Zijn elegante vrouw ook. Later zei ze: ‘Ze zeggen toch ware dingen bij de PVV.’
Daar lag ik ‘s nachts toch even wakker van met de vraag: Hoe had ik moeten reageren zonder een enorme spanning te laten ontstaan?
Omdat ik meestal helemaal niet luister naar wat mensen tegen me zeggen, was het me blijkbaar een hele tijd ontgaan. Maar nu spitste ik voortaan mijn oren op die vernissages, in sociëteiten, bij de kreeftenclubs, nu ging ik doorvragen. Met hun antwoorden werd ik vol in de bek geslagen. Ik wist niet wat ik hoorde. Het regende oneliners, maar dan onderstreept door een intellectuele blik, of van die zuchtende ogen. Ineens hoorde ik omfloerste stemmen die kloterige dingen zeiden over vluchtelingen of religie of Marokkanen, en dan keken ze me ook nog veelbetekenend aan, alsof we een band hadden, alsof zij wel wisten dat ik er ook zo over dacht.
Ik lees constant dat het om Henk & Ingrid gaat maar volgens mij is het erger.
Meerellen met voetbalsupporters
Het lijkt alsof het ineens helemaal bon ton is om dingen te zeggen die voorheen aan een bepaalde nauw omschreven groep werden toegekend. Het is alsof die kakkers ineens meerellen met voetbalsupporters maar dan wel doen alsof ze ver boven die voetbalsupporters staan – omdat ze een choker dragen en geen bomberjack. Alsof je beschaving in die choker zit.
Wilders zei in een speech:
Wij kiezen voor de mensen die het niet cadeau krijgen in Nederland.
Maar ik ben omringd door mensen die het cadeau hebben gekregen. Die in de vaart van de groei alle appels konden plukken, die zelfs nog gedroogde appels van de vorige generatie hadden liggen, en ook nog ruim bedeeld zijn met talent.
Financiële noden
‘Henk Ingrid maken zich zorgen over hun inkomen en de stijgende huren en de verschraling in de zorg’, staat hier en daar geschreven. Maar in mijn omgeving huurt niemand, zijn er geen financiële noden en de zorg wordt afgenomen op landgoed NooitGenoeg.
En nu ineens hoorde ik Hendrikus de woorden van Henk herhalen, maar dan in het ABN.
Eentje, een oude man, zei tegen me: “Ach, ze horen hier toch ook niet.”
“Hoe kan uitgerekend jij dat zeggen? Je hebt de oorlog nog meegemaakt!” zei ik.
Sterker nog, hij had zijn hele leven heel traumatisch gedaan over die oorlog.
Maar hij zei dat dat iets heel anders was. Dat ging over het uitroeien van een ras. Dit gaat over religie. Dat mocht ik niet met elkaar vergelijken.
Bediend door een neger
Een ander zei: “Laatst ben ik in een restaurant keurig bediend door een neger, daar heb ik geen klachten over.”
Ik reageer meestal niet. Ik zou niet weten hoe. Hoe moet je omgaan met mensen die je na staan, die je al je leven lang kent, waar je van hebt geleerd en die iets voor je hebben betekend, wat moet je doen als ze ineens iets zeggen dat zo discriminerend of racistisch is dat elke reactie een kentering in de relatie zal betekenen?
Als kind dacht ik dat oorlog, religie en numerologie uitgebannen zouden zijn als ik groot was. Goed, dat bleek niet haalbaar, maar deze ommekeer komt voor mij als een aardverschuiving. Alsof ik mijn huis verlies. Alsof ik mijn straat niet meer herken.
Of.
Foute grap
Of is dit een toevallige ervaring?
Of is het geklets in de ruimte? Net zoals het Giel Beelen is vergaan, die een foute grap maakte over Sylvana, maar die eigenlijk altijd foute grappen maakt en alleen die ene eruit werd gepikt?
Of is het zoals bij Sjonnie & Anita: een supergrote bek, keiharde grappen, maar als het erop aan komt zijn ze menslievend?
Of ben ik nu zelf degene die aan het overdrijven is en te zwaar tilt aan taalgebruik waar helemaal geen discriminatie of racisme achter zit?
Of is het zoals mijn huisgenoot stelt: “Een Joodse grap maakt je niet een nazi, maar een grap over huidskleur maakt je in deze tijdsgeest wel een racist.”
Of is het zoals ik zelf ooit ontdekte over vrouwenemancipatie: als je over het onderwerp heen scheert lijkt het of mannen en vrouwen gelijk zijn; als je feiten verzamelt blijkt het niet zo goed gesteld met die emancipatie; als je echt gaat luisteren dan stuit je op onbegrijpelijke kwesties.
Kleine wereld
Wilders zei ook in een speech: “Nederland is meer PVV-minded dan de staatsomroep u ooit zal laten weten.”
Vanuit mijn eigen kleine wereld kan ik nu rapporteren, daar lijkt het verdomme wel op.
Mocht de PVV sterker groeien dan er Henk & Ingrids zijn, dan weet ik wel waar ik het zoeken moet.
Justine le Clercq (1967) is schrijver en tentoonstellingsmaker. Zij is onderdeel van het kunstenaarscollectief Crail Moansburg en een opgewekte factotum voor kunstenaar Suzanne van Soest. Van Justine verschenen twee boeken. Ze heeft een website en een Facebook-pagina.





RSS