Misbruikte mannen
Frans Smeets

Illustratie: Jean-Léon Gérôme
Ik ben een van laatste jongens die op een katholieke jongenschool heeft gezeten. Het lesgeven werd enkele keren per dag onderbroken door het laag overscheren van straaljagers die het klaslokaal deden trillen en de lucht naar kerosine deden smaken. Het dieptepunt van het jaar was de tandartswagen die voor kwam rijden. Er werd nog zonder verdoving geboord.
De school werd geleid door een onderwijzer die tegen zijn pensioen aan zat te hikken, er een pakje sigaretten per dag in de klas doorheen pafte en vaak naar drank rook. Zijn wangen waren doorlopen van kleine rode adertjes en je verwachtte elk moment een hartaanval.
De man had losse handjes. Er waren wel meer onderwijzers met losse handjes, maar de hoofdonderwijzer sloeg echt alles. De man verloor met grote regelmaat de controle tegenover vooral degenen die niet goed konden leren. Achteraf vermoed ik dat de man zwaar overspannen was.
Van de fysieke straf herinner ik mij de groene knop op de trouwring, en die keer dat ik na een vechtpartij voor straf met mijn opponent op de metalen roosters bij de voordeur van de school moest knielen. Ik heb geen traan om het verlaten van deze school gelaten.
In een dergelijk onderwijssysteem met alleen jongetjes werd de sfeer onder elkaar gedomineerd door een vreemde mengeling van enerzijds onvoorwaardelijke trouw en anderzijds fysiek geweld en heftig pesten. Ik stond mijn mannetje wel, maar wat moet voor degenen, die onderaan de pikorde stonden, de dagelijkse tocht naar school een hel zijn geweest.
Tijdens de hele periode van de lagere school ben ik zelden met meiden van mijn eigen leeftijd in contact gekomen.
Toen ik naar de brugklas ging, zag ik mensen van een andere school. De jongens en meisjes zaten in een gemoedelijke sfeer te kwebbelen. Van onze school zaten de jongens macho gespannen samen in een hoek en de meisjes die naar de meidenschool waren geweest, zaten schuchter gespannen in de verste andere hoek. Het heeft zeker twee jaar geduurd voordat er een beetje een normale omgang tussen de seksen was.
Mijn tweede contact als kind met een mannengemeenschap was in de jaren ‘70 tijdens de zomervakantie, toen de hele familie naar een boerderijklooster ging waar een heer-oom van mij zat. Als kind vond ik dat boerderijleven leuk. Ik was gebiologeerd door de imkerij en de paters waren aardig. Ooit waren ze ingetreden in een tijd dat ze niet met elkaar mochten praten – ze hadden een eigen gebarentaal – en bezoek werd slechts bij hoge uitzondering toegelaten. Maar nieuwe tijden stonden aan de voordeur te kloppen en ze genoten van de vrijheden. Zelfs de regel dat er geen vrouwen werden toegelaten tot het binnenklooster met zijn prachtige gewelven, mythische boeken en Dracula-achtige graven, werd af en toe aan de laars gelapt.
Het toetreden van de paters was niet altijd een keuze uit vrije wil geweest. De paters kwamen uit een tijd dat één van de kinderen van het gezin vanzelfsprekend geestelijke werd. De sociale druk om voor een religieuze carrière te kiezen was groot. Het gaf status aan de familie en je kon als boerenpummel, die voor een dubbeltje geboren was, iemand met aanzien worden.
Ook werden vaak jongens, wier verstandelijke of lichamelijke vermogens niet al te goed waren, in het klooster “gedumpt”. Dat kun je nu als wreed zien, maar tot halverwege de vorige eeuw werd dat gezien als een goede oplossing. Ze waren “binnen”.
In de praktijk betekende een carrière als geestelijke dat je vanaf je veertiende levensjaar regelrecht vanuit de jongensschool intern voor de rest van je leven tussen mannen moesten leven. Pubers, opgevoed door mannen die hetzelfde lot hadden ondergaan. En dat van generatie op generatie. Een hiërarchisch wereldvreemd systeem van dwang en onthouding, met als uitlaatklep een mengeling van geweld, vernedering en seksuele uitspattingen. De (seksuele) frustratie en onmacht moet voor vele mannen enorm zijn geweest.
De isolatie en afzondering verklaart ook, waarom seksueel misbruik veel meer bij scholen voorkwam, die werden geleid door kloosterlingen, dan bij de geestelijken die de maatschappij in moesten. De “slimmeriken” die op het Rolduc een priesteropleiding genoten, wisten, geconfronteerd met de praktijk van het dagelijks leven, al snel een “huishoudster” te regelen en van de geneugten van het leven te genieten. De “dommeriken” van de kloosters hadden in de gesloten setting, waarin ze leefden, nauwelijks een andere uitlaatklep dan het botvieren van hun frustraties bot op de aangeboden scholieren.
In 2001 heb ik het klooster uit mijn kinderjaren nog een keer bezocht. De meeste paters waren al dood. De enkele paters die wel nog leefden, waren krakkemikkig en vaak bedledig. Het stonk er verschrikkelijk naar urine. Er was van de levendige sfeer, die ik me herinnerde, niets meer over dan een vervallen en te groot huis waar de zeis zijn geduld verloren leek te hebben.
De enige pater die ik nog kende, was door een hersenbloeding verlamd en kon nauwelijks spreken. Toch heb ik nog nooit iemand zo wanhopig naar menselijk contact zien smachten. Geen familie, geen nageslacht en de status uit het verleden waren hem afgenomen.
De eenzaamheid werd onderbroken door een steriele verpleegster die in een automatische beweging zijn benen liftte en de pot verwisselde. De enige vrouwelijke handen tussen zijn benen die hij gekend had. Hier zaten de heilige mannen van weleer. Dit waren de mannen van het misbruik. Misbruikte mannen.
Frans Smeets is kunstenaar en heeft onder andere dit voortreffelijke beeld van Bono gemaakt.





RSS