Migrantenbanen
Thomas Colignatus

Illustratie: Robi Roboter
In de Krant der Kranten, NRC-Handelsblad, heeft econome Heleen Mees een column waarin zij meestal kritisch van zich laat horen. Vrijdag 25 januari 2008 schreef ze over Banen die migranten een kans bieden. Kern van het betoog is dat het kabinet Balkenende-Bos symboolpolitiek betreft en dat men de crux verwaarloost, die bestaat uit werk, werk en nog eens werk. De website van deze Krant der Kranten geeft lezers de kans om te reageren: maar heeft zoiets zin?
Ikzelf ben econometrist en schrijf al sinds jaar en dag dat werk de crux is. Sterker nog, sinds 1990 adviseer ik tot een parlementaire enquete naar de voorbereiding van het economisch beleid en de rol daarbij van het Centraal Planbureau, omdat burgers en beleidsmakers aantoonbaar onjuiste informatie krijgen. Zie ook mijn website.
Had men in 1991 geluisterd, die parlementaire enquête gehouden, en de censuur van de wetenschap opgeheven, dan had vanaf 1992 een op werk gericht beleid gevoerd kunnen worden, en had Nederland zich veel ellende kunnen besparen. Heleen Mees noemt enkele punten:
‘Wie het multiculturele drama wil doorgronden, hoeft alleen maar te kijken naar de lage participatiegraad en de hoge uitkeringsdruk onder Turken en Marokkanen in Nederland. Tegenover 46.000 mannen van Marokkaanse afkomst tussen de 15 en 65 jaar die in 2004 betaald werk hadden, stonden 32.000 Marokkaanse mannen tussen de 15 en 65 jaar die dat jaar een uitkering ontvingen. De uitkeringsdruk onder Marokkaanse mannen is daarmee vier keer zo hoog als onder autochtone mannen. Mannen van Turkse afkomst doen het iets beter dan Marokkaanse mannen. Turkse en Marokkaanse vrouwen doen het nog een stuk slechter dan de mannen. In 2004 hadden 36.000 vrouwen van Turkse afkomst tussen de 15 en 65 jaar betaald werk, tegenover 37.000 Turkse vrouwen die een uitkering ontvingen. Van de Marokkaanse vrouwen hadden er 26.000 een uitkering en 25.000 een betaalde baan. Dat wil zeggen dat de uitkeringsdruk, dat is het aantal uitkeringsontvangers uitgedrukt als percentage van het aantal werkenden, meer dan 100 procent bedraagt.’
Ik kan er niet koud of warm van worden. Zulke misstanden bestaan al twintig jaar en zolang men mijn suggestie niet opvolgt zullen ze blijven voortduren. Het probleem zijn niet de Turkse of Marokkaanse migranten maar de Nederlandse beleidsmakers. Mees schrijft ook:
‘Volgens de Emancipatienota (2007) bevindt maar liefst 79 procent van de Turkse en Marokkaanse vrouwen in Nederland zich in een kansarme positie voor wat betreft deelname aan de Nederlandse samenleving, omdat ze de taal onvoldoende beheersen en/of niet in bezit zijn van de benodigde arbeidsmarktkwalificaties. Zonder omhaal van redenen wordt gesteld dat voor deze vrouwen de afstand tot de arbeidsmarkt te groot is.‘
Inderdaad, het zijn dus niet de Turkse en Marokkaanse vrouwen die het probleem vormen maar de beleidsmakers en nota-schrijvers die een blinde vlek hebben, die niet goed nadenken, die slappe verhalen houden en problemen toedekken. Want wie ook maar een greintje logisch kan nadenken zal inzien dat wanneer deze vrouwen in het land van herkomst zouden kunnen werken dat zij dan beslist ook in een hoog-ontwikkelde economie kunnen werken: met toegesneden banen. Het is precies zoals Heleen Mees schrijft: ‘Een betaalde baan als waterschenker, schoenpoetser of liftbediende zou minder mensonterend zijn geweest, denk ík dan.’
Terwijl we Heleen Mees dus mogen prijzen voor haar accurate observatie moeten we wel realistisch blijven en ook constateren dat zij het werkelijke probleem niet ziet. Zij ziet de oorzaak in de voorkeuren van Nederlanders, die zulk werk ‘mensonwaardig’ zouden vinden, en die om die reden zulke banen hebben afgeschaft
Niets is minder waar. Een Nederlander op vakantie in Turkije of New York heeft er geen enkele moeite mee om zulke diensten te accepteren. Het is een eerste keer even wennen omdat je het niet gewend bent, maar spoedig accepteer je dat zulk werk ook gedaan kan worden, en respecteer je de mensen die dat werk verrichten.
Het werkelijke probleem in Nederland ligt anders. Het is een probleem dat Heleen Mees niet wil zien. Het is een probleem dat al zo’n twintig jaar op mijn website staat en de drie boeken die ik inmiddels in verschillende varianten over heb geschreven. Heleen Mees heeft last van diezelfde blinde vlek die bij de Nederlandse beleidsmakers bestaat. Het is het onvermogen om het werkelijke probleem te zien, te benoemen, ter discussie te stellen en op te lossen.
Dat werkelijke probleem is censuur van de wetenschap door de directie van het Centraal Planbureau. Welk probleem hopelijk opgelost kan worden via genoemde parlementaire enquete.
Laat ik een persoonlijk woord tot Mees richten:
a) Het misstaat dat u schrijft over de problematiek van de arbeidsmarkt van de migranten zonder dat u de daarvoor beschikbare literatuur adequaat heeft gelezen want u maakt geen gebruik van mijn analyse omtrent laagproductieve arbeid. Mijn analyse geldt niet alleen migranten maar juist ook veel breder, en geldt niet slechts Nederland maar ook daarbuiten, bijvoorbeeld de Franse Banlieux.
b) Het zal van u niet alleen kennis maar ook moed vragen om het probleem van de censuur door de directie van het CPB ter discussie te stellen. Het CPB is een internationaal gerespecteerd instituut en men moet van goede huize komen om een aspect daarvan ter discussie te stellen. Misschien is een extern econoom daar niet goed toe in staat en is deze kritische positie slechts voorbehouden aan CPB-ers zelf, zoals voor mij geldt (ook al levert dit niet meteen internationaal respect op). Desondanks lijkt het me dat u het in ieder geval dient te proberen. Want wanneer u het werkelijke probleem ontkent dan vormen uw columns slechts gelegenheidsstukjes die wel aardig lijken maar die wezenlijk nergens over gaan.
Thomas Colignatus is econometrist en onder meer samen met journalist Hans Hulst auteur van De Ontketende Kiezer (2003).





RSS