De geschiedenis van mijn racisme
Peter Breedveld

Illustratie: John Gabriël Stedman
De eerste keer dat ik iemand met een andere huidskleur zag – de eerste keer die ik me kan herinneren – traden ook meteen mijn racistische neigingen in werking. Ja, lieve lezers, ook ik was eens een racist.
Ik was vier jaar oud, zat net op de kleuterschool, en we deden een spelletje met een kring en een meisje in het midden. Dat meisje was een “klein zigeunermeisje, huilend op een steen, huilend, huilend, helemaal alleen.” Alleen was het zigeunermeisje een Chinees en ik moest haar zoenen. En dat wilde ik niet, omdat ze een donkerder huidskleur had dan ik.
Ik kan het me niet meer precies herinneren – het is veertig jaar geleden, en dus een herinnering van een herinnering van een herinnering, enzovoort – maar ik geloof dat ik bang was dat ze zou afgeven. Dat ze vies was. Nu was ik wel zo netjes opgevoed dat ik niks liet merken en keurig deed wat er van me werd verwacht. Ik heb haar gezoend. Althans, ik heb haar wang met mijn lippen vluchtig aangeraakt.
Ik geloof eigenlijk niet in karma, maar feit is wel dat het met haar daarna heel goed is gegaan – ik meen dat ze enige landelijke faam verwierf als kunstschaatser – en dat ik daarna op school steeds het pispaaltje was, het buitenbeentje. O, en ik heb nog een periode gehad dat ik niks liever wilde dan Chinese meisjes zoenen – een verlangen dat jarenlang onvervuld is gebleven.
Ik had de naam een slappeling te zijn en niet te kunnen voetballen, al viel dat in de praktijk nogal mee. Ik kon best voetballen, maar ik vond er gewoon niks aan, en toen vijf jongens op het schoolplein eens tegen me begonnen te schoppen en te slaan, eindigde een van hen met een gebroken pink, een ander had nog weken last van zijn been en ik had helemaal niks.
Hoe dan ook, ik werd altijd als laatste gekozen bij gym en ik werd gepest. Ik las boeken als een bezetene en dat viel ook al niet goed, maar mijn redding was de allochtoon in de klas. We hadden er één, een Turk. Een Turk die kon voetballen en die heel sterk was, maar een Turk niettemin en die moest toch genoegen nemen met een plekje onderaan de hiërarchische ladder op het schoolplein – zelfs onder de grootste sukkel van de klas.
Tijdens het speelkwartier werd hij altijd uitgescholden. Voor ‘Turk’. Gewoon ‘Turk’. Hij zei dan heel gevat ‘Hollander’ terug, maar daar werd alleen maar smalend om gelachen. ‘Hollander’ was geen scheldwoord, ‘Turk’ wel.
Ik moet tot mijn schaamte bekennen dat ik hem, toen ik eens ruzie met hem had, ook heb uitgescholden voor ‘Turk’. Maar ik was – samen met het pispaaltje onder de meisjes, de dochter van de slager – wel één van de twee kinderen die werden uitgenodigd op zijn verjaardagsfeestje, bij hem thuis. De drie verschoppelingen bij elkaar. Ik herinner me er niet veel van, behalve dat hij een grote zus had, en ik geloof dat zijn moeder een hoofddoek droeg. Het was donker in huis en het rook er vreemd. Ik kreeg limonade, maar daar zaten zwarte dingetjes in.
Eén van de jongens met wie mijn broer en ik in de straat speelden, was een Surinamer. Hij woonde met zijn ouders en zijn zusje schuin tegenover ons. Zijn moeder was de mooiste vrouw die ik ooit gezien had, met sierlijke armen, een lange, ranke hals en een gaaf gezicht met grote, donkere ogen en volle, zinnelijke lippen. Ze rook lekker.
Zijn vader stond eens op het dak van zijn huis met de televisieantenne te kloten. Mijn vader stond er door het raam naar te kijken en zei: “Kijk, daar heb je Zwarte Piet.” Ik haatte hem erom. Ik was liever bij hen thuis dan bij mijn eigen ouders.
Molukkers noemde hij “poentjakkers” (later leerde ik dat Puncak een plek op Java is, dus ik begrijp niet waarom). Dit was ten tijde van de treinkapingen en gijzelacties door militante RMS’ers. Hij was trouwens de enige niet. Iedereen om me heen schold op Molukkers en zei dat ze ze “allemaal op een rijtje moeten zetten”. Hij zeurde over Toppop omdat daar “alleen nog maar zwarten in zitten”.
Hoewel hij zich afzette tegen zijn eigen protestants-christelijke opvoeding, maakte hij er een punt van ons steeds naar protestants-christelijke scholen te sturen, vanwege de discipline. Daar ben ik nog steeds blij om. Op school kreeg ik een bijna heilig ontzag voor gekleurde mensen en voor Joden bijgebracht. Voor volkeren die eeuwenlang dapper en geduldig de vernederingen en de moordzuchtige vernietigingsdrang van de boze blanke man hadden ondergaan. In ruil daarvoor brachten zij ons grootmoedig de boodschap van de Enige Ware God.
“Moet je je bedenken”, zei de meester van de gecombineerde klas 5 en 6 eens tegen ons, “dat er tegenwoordig mensen uit Afrika naar Europa komen, om híer zendingswerk te doen!”
In de laatste jaren van de lagere school was mijn schoolpleinstatus trouwens aanzienlijk verbeterd. Ik kon tekenen en verhalen vertellen, en was behoorlijk populair bij de meisjes. Ik had een beste vriend, wiens oudere zus een Surinaamse verloofde had (de dag dat hij zich aan haar ouders kwam voorstellen, hing mijn vriendje uit het raam van zijn slaapkamer, zag hem aan komen lopen en riep naar binnen: “Mama!! Papa!! Het is een zwarte!!”). Dat was de meest non-conformistische, sardonische kankeraar die ik tot dan toe had ontmoet. Van hem heb ik geleerd lak te hebben aan wat anderen over je zeggen. O, en wie Batman was.
Op de middelbare school begon alles weer van voren af aan. Du moment ik daar binnen stapte, met ál mijn boeken in mijn schooltas (ik wist niet hoe een lesrooster werkte), die openbarstte en de hele inhoud over de vloer uitbraakte, was ik een marked man. Lager zelfs dan de enige allochtoon in de klas, een bijdehandte Indo met praatjes voor tien en meer intelligentie in zijn pink dan de rest van de half-imbecielen in al hun hersencellen bij elkaar, en in die van hun ouders, grootouders en overgrootouders.
De enige jongen die mijn vriend wilde zijn.
Dit is het eerste deel van een 356-delig feuilleton over mijn ervaringen met racisme. Politiekcorrect als de neten en uiteraard met een heldenrol voor mijzelf, waarbij ik af en toe wel een paar pekelzonden zal opbiechten, om het geheel een beetje geloofwaardig te houden. Geïnspireerd door dit ontroerende verhaal van Gin Mooy, die weer werd geïnspireerd door het onthutsende relaas van Hassnae.





RSS