Een filosoof met vuisten
Alf Berendse

Foto: Yoshiyuki Iwase
Wetenschapsfilosoof Rein Gerritsen (1959) kent de straat, het criminele milieu, de gevangenis en het gekkenhuis even goed als de academische wereld. Hoe denkt een filosoof die in zijn jonge jaren een zware crimineel was? “Sociale uitstoting werkt niet bij mensen die geleerd hebben alleen op zichzelf te vertrouwen.”
Hij knokte al in zijn jeugd, als bokser en als de bewoners van zijn Friese dorp met die van een ander op de vuist gingen. Hij knokte ook om zich staande te houden, bij de nonnen op het internaat en in een tehuis voor moeilijk opvoedbare kinderen. En tegen de dood, na een auto-ongeluk waarbij zijn moeder en halfbroer om het leven kwamen. Een jaar lag hij in het ziekenhuis, vier zware operaties, hij won het van de dood. Kort na zijn ontslag uit het ziekenhuis belandde hij, getraumatiseerd en psychotisch, in de onderwereld van Leeuwarden. “Als je vroeg op eigen benen moet staan, het gezin uit moet, leer je op jezelf vertrouwen, ook fysiek. En je leert eigen waarden en normen aan. Die helpen jezelf staande houden, maar je kunt daarin doorschieten. Ik heb gehandeld als tuig.”
Op zijn 23e was Gerritsen lid van een criminele bende. Geweld was zijn handelsmerk, tegenstanders werden als het nodig was keihard geslagen, zelfs beschoten. Hij deed mee aan bankovervallen. Lang duurde zijn criminele loopbaan niet, in 1984 werd hij door een arrestatieteam van zijn bed gelicht. Hoe het zover kwam en hoe hij het achter zich liet, beschrijft hij in ‘Knock-out’, het eerste deel van zijn autobiografie. “Ik vind het ronduit angstaanjagend dat ik drie maanden na mijn ontslag uit het ziekenhuis volledig was opgegaan in de misdaad. Dit snelle afkalven zie ik ook bij anderen gebeuren. Van huiseigenaar tot dakloze, van briljante leerling tot junkie, van rijk op de ene dag tot arm op de andere.”
Dolleman
Op het rechte pad komen duurde langer. Gerritsen werd veroordeeld tot drieëneenhalf jaar gevangenisstraf en een jaar psychiatrische dwangverpleging. “Ik kreeg diagnoses die mij niets zeiden, zoals ‘affectieve persoonlijkheidstoornis’, maar zonder meer heb ik met een angstpsychose rondgelopen, ik was een psychotische dolleman.” Medicijnen hielpen, maar aan andere therapieën deed hij niet mee. “Ik wilde niet praten over wat ik had misdaan. Tegenover de politie en de rechter had ik geen verklaring afgelegd, niets bekend, en alles wat ik de psychiater vertelde zou alsnog bij justitie terechtkomen. Ik zag er ook niets zinvols gebeuren. De forensische psychiatrie [behandeling op last van justitie – AB] is op zijn best een moeras.”
Hij zat zijn straf uit en studeerde, filosofie en daarbij natuurkunde, psychologie en rechten. “Op de universiteit ging alles goed, maar met mijn strafblad kreeg ik geen baan op mijn niveau. Doctorandus in de wijsbegeerte en ik werkte als glazenwasser en asbestverwijderaar. Later als portier, dat was een grote fout, daarbij kwam ik weer in aanraking met geweld. Het is alsof de duivel ermee speelt, als ik een kroeg binnenstap is dat altijd de ruigste van de stad.” Zijn vrouw veranderde zijn leven, hij werd op zijn veertigste verliefd, maar vond zichzelf te verknipt voor een relatie. “Ik overwoog zelfdoding, dat of er echt iets aan doen. Toen ontdekte ik rouwtherapie, tweeëneenhalf jaar twee of drie gesprekken per week om mijn leven te ontrafelen en trauma’s te verwerken. Er moest veel worden opgeruimd. Mijn leven zou waarschijnlijk heel anders zijn verlopen als ik dat na het auto-ongeluk had gedaan.”
Sloebers
Rein Gerritsen is dé man om mee te filosoferen over geweld, criminaliteit en strafrecht, een academisch gevormde ‘ervaringsdeskundige’. “Ik kwam in de gevangenis weinig mensen tegen die het kwade om het kwade deden. Ze zijn er wel, maar ik zag er vooral sloebers, misschien net als ik tuig voordat ze vast kwamen te zitten, maar sloebers in de gevangenis.”
Ieder mens kan veranderen, leerde hij van zijn favoriete filosoof William James (1842 – 1910). “Er is geen lot, je kunt beslissen over hoe je het leven leidt. Identiteit is niet onveranderlijk. De oorzaak van allerlei onacceptabel gedrag wordt steeds meer in de chemie van de hersenen en in de genen gezocht, dat is een gevaarlijke ontwikkeling. Aan de ene kant wordt daarmee gesteld dat misdadigers niet verantwoordelijk zijn voor hun gedrag, aan de andere kant komen er steeds meer pillen tegen onaangepast gedrag. Chemische castratie.”
Gerritsen pleit voor hulp bij rehabilitatie, een gedegen reclassering. “Veel mensen bungelen onderaan de samenleving, daklozen, junkies, criminelen. Wat doen we verkeerd dat deze ontsporingen er zijn?
Het systeem begrenst de rehabilitatie. Het is in de gevangenis nauwelijks meer mogelijk iets te leren, er wordt zelfs niets tegen analfabetisme gedaan. En wie het wel lukt een diploma te behalen, heeft er niets aan, als zijn strafblad hem blijft achtervolgen.”
Vijfentwintig jaar na dato heeft Gerritsen daar zelf nog last van. Hij wordt door collega’s gewaardeerd als wetenschapsfilosoof, hij heeft twee boeken op zijn naam staan en vertalingen van buitenlandse filosofen, hij won in 2006 de prestigieuze R.J. van Helsdingenprijs voor het beste schrijven op het gebied psychiatrie en filosofie. Maar hij krijgt geen ‘Verklaring omtrent het Gedrag’, beter bekend als bewijs van goed gedrag. Zijn kennis en ervaringen overdragen aan studenten zit er niet in, voor een baan op een universiteit of hogeschool is deze verklaring verplicht.
“Het bewijs van goed gedrag is niet helemaal onzinnig, je wilt geen pedofiel voor de klas. Maar wat als iemand alleen voor het geld crimineel was en het nu op een eerlijke wijze wil verdienen? Hij kan nog geen taxichauffeur worden. Goedwillende mensen zo in de weg staan, houdt recidive in stand.”
Geweten
Hulp bij een andere omgeving vinden, kan velen volgens Gerritsen helpen. Na zijn straf heeft hij geen voet meer in Leeuwarden gezet, in Utrecht is het hem gelukt een nieuw leven op te bouwen. Daar werd zelfs gebruik gemaakt van zijn oude vaardigheden. De politie beloofde hem een bewijs van goed gedrag, als hij zou helpen bij de beveiliging van het theater ‘Huis aan de Werf’ in de volksbuurt Daalse Dijk. In de jaren negentig was het daar erg onrustig, veel vechtpartijen op straat. Gerritsen werd portier bij het theater en begeleidde na de voorstelling de bezoekers naar het station, justitie zou een oogje dichtknijpen als hij geweld moest gebruiken om hen tegen hangjongeren en overvallers te beschermen. Het was zijn laatste baan als portier, hij deed zijn werk goed, maar het bewijs van goed gedrag heeft hij nooit gekregen. Het is een paradox: als hij niet was gearresteerd en veroordeeld, zouden zijn misdaden nu zijn verjaard, maar justitie blijft hem in de weg zitten omdat hij zijn straf wel heeft ondergaan.
Het eigen geweten spreekt een levenslange straf uit voor iedere wandaad die je hebt begaan, schrijft hij in Knock-ou’, het geweten is de hardste gevangenis, zelfverwijt de strengste rechter. Maar met justitie is hij klaar, wat dat betreft acht hij ook misdaden waarvoor hij niet is veroordeeld als verjaard. “Mij daarvoor nog straffen is niet zinvol.”
Eens een dief, altijd een dief, volgens Gerritsen heerst die gedachte nog volop. Te weinig wordt ingezien dat een verblijf in de gevangenis mensen niet meer uitmaakt, als ze er eenmaal aan zijn gewend. Hij herkent langgestraften al op afstand op straat. “Mannen die bij een deur lijken te wachten op toestemming om door te lopen, die eerst iets moeten horen klikken. Geconditioneerd, ze hebben geen idee wat er om hen heen gebeurd. In de gevangenis was alles uitgemeten, alles had zijn vaste tijd en plek. Het verbaast mij niet dat sommigen zich daar veilig bij gaan voelen en niet meer wennen in de samenleving. ‘Ik zit liever in de bajes’, is een treurige uitspraak, maar wordt vaak gedaan. Het is een aanmatigend oordeel dat mensen het er gemakkelijk hebben. Het is een hel waar je noodgedwongen leert te overleven.”
Gerritsen is loyaal gebleven aan zijn oude criminele maten. Hij gaat niet meer met ze om maar praat ook niet over zaken waar een van hen nog last mee kan krijgen. “Ik kan hen en andere criminelen geen kant en klare filosofie aanbieden die hun leven verandert. Ik nam mijzelf kritisch onder de loep en koos een andere plek in de samenleving. Goed en fout is ook niet eenvoudig, ik ken moordenaars die ik betere mensen acht dan menig politicus. Mijn filosofie geeft mij richting, ik wil het goede doen om de goede redenen. En ik denk dat we met zijn allen het lijden moeten proberen te verminderen, overal waar we het zien of vermoeden. Ook in gevangenissen, in inrichtingen en op straat.”
‘Knock-out’ is in april verschenen bij uitgeverij Lemniscaat. Rein Gerritsen werkt aan het tweede deel van zijn autobiografie, ‘Code Willem Rood’. Eerder gepubliceerd in Haags Straatnieuws van 17 juli 2009. Koopt altijd en leest allen Haags Straatnieuws. Verschijnt veertien keer per jaar, reist er speciaal voor naar Den Haag. Desnoods.





RSS