Misbruik

Frans Smeets

weg22
Illustratie: Gerda Wegener

Het seksuele misbruik in de katholieke kerk komt eindelijk boven drijven. Het verbaast me niets. Als kind van katholieke huize wist je dat de paters en priesters hun eigen seksuele moraal nooit handhaafden. Er waren veel homoseksuele contacten en er werd veel onder elkaar afgelebberd. Iedere priester had een ‘huishoudster’ die inwoonde. Een vrouw om het celibaat iets gemakkelijker te maken.
Een katholiekere oplossing kun je niet bedenken. Er werd nooit iets uitgesproken en de doofpot stond altijd klaar. In de internaten vol met jonge jongens en paters is het nog verbazingwekkend dat er niet meer is gebeurd is. Het is goed dat na al die jaren het misbruik besproken kan worden. Progressief Nederland juicht.

Maar laten we dan ook maar direct de hele beerput opentrekken.

Toen ik in 1979 op veertienjarige leeftijd met mijn tienertoerkaartje met twee vrienden naar ‘stoer’ Amsterdam ging, had puberale nieuwsgierigheid naar seks natuurlijk een belangrijke rol. Met de schaarse gulden in de hand gingen we schaamtevol en bang vanwege onze leeftijd naar de seksbioscoop. Eenmaal in de stoel bleken de acteurs van de pornofilm veel jonger dan wij. Kleine kinderen! Binnen de kortste keren waren enkele andere toeschouwers richting ons opgeschoven. We wisten niet hoe snel we buiten moesten zijn. Als goede katholieken hebben we het er onderling niet meer over gehad.

Zeven jaar later ging ik in Amsterdam studeren. Er was weinig veranderd. In mijn studiegids stonden de adresgegevens van de werkgroep pedofilie van de NVSH. Een beetje stad had zo’n werkgroep – kinderen ook welkom – die hun eigen blaadje uitbrachten waarin verhalen stonden van ouders die met liefde spraken over de seksuele relatie van hun eigen kinderen met volwassenen.

De Protestantse Stichting voor Verantwoorde Gezinsvorming bracht een boekje ‘Pedofilie’ uit, waarin wijsheden als ‘schade komt vooral door de vooroordelen en het ingrijpen, vooral door justitie’ en: ‘vriendschap tussen een pedofiel en een kind behoort geen reden te zijn tot paniek. Het hoeft ook geen reden te zijn tot angst, ook niet als er sprake is van seksueel contact. Heb vertrouwen in uw kind. Als uw zoon of dochter deze relatie als fijn aanvoelt, maak die band dan niet kapot.’

En wie nu zichzelf eens echt met die tijdsgeest wil pijnigen, raad ik aan het pedofielendebat, in 1982 op de VPRO-radio, eens te beluisteren.

Zelfs ideologisch werden seksuele contacten tussen volwassenen en kinderen als een gezonde ontwikkeling gezien. Wilhelm Reich was voor de ‘vrijheidsstrijders’ een veel gelezen schrijver: ‘Sociale -en individuele sekseconomie heeft bewezen dat de onderdrukking van infantiele en adolescente seksualiteit het fundamentele mechanisme is waarmee karakterstructuren worden geproduceerd die politieke, ideologische en economische knechting ondersteunen.’

Kinderen moesten seksueel bevrijd worden en wie kon hen dit beter leren dan onze liefdevolle kindervrienden.
In de politiek werd de pedofiele zaak behartigd door Edward Brongersma van de PvdA. Tussen 1969 en 1977 vaste voorzitter van de Vaste Commissie voor Justitie in de senaat. Zijn wetenschappelijk archief bracht hij in 1979 onder in de Brongersmastichting die ten doel had onderzoek te doen naar seksuele contacten tussen volwassenen en kinderen. Na het overlijden van Brongersma in 1997 is een deel van zijn collectie in beslag genomen door justitie, omdat er kinderporno tussen zat.

In 1967 ontving hij, ondanks dat hij veroordeeld was voor homoseksuele contacten met een zestienjarige (hij was negenendertig), de Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Het toont aan hoe de tijden zijn veranderd.

Wie het waagde dit soort ongein ter discussie te stellen, werd genadeloos in de hoek gezet als conservatief en bekrompen. Kritiek was er nauwelijks en ontstond pas enkele jaren later, toen de Verenigde Staten Nederland als hoofdproducent van kinderporno betitelde.

Tijdens mijn introductieweek van de Universiteit van Amsterdam bezochten we een middag een Hare Krishnatempel in de Pijp. Toen ik binnen was, was het eerste wat ik dacht: “Dit ken ik, alleen anders”. De mensjes huppelden vrolijk rond, kindjes hingen aan de benen en iedereen was sereen en gelukkig. Ik was de hemel binnengetreden. Bij de Baghwan op de Wallen was het niet anders. Wie ‘s nachts de discotheek bezocht, zag dansende gelukkige mensen in rode gewaden met dartelende engeltjes om hen heen. De nieuwe mens was geboren. Ik geloofde er helemaal niets van.

Bij de Hare Krishna’s en Baghwan waren precies dezelfde voorwaarden die misbruik bij de katholieke kerk mogelijk maakten: een fysiek gesloten setting, een sterke hiërarchie, duidelijke sekseverhoudingen en seksuele omgangsvormen, een verheven en dominante moraal, geen plek voor kritiek of tegengeluiden, een vaststaand wereldbeeld, een zwijg-, ontkennings-, schuld- en schaamtecultuur en de wind van de tijdsgeest in de rug.

Het mag dan ook niet verbazen dat ook de hoogste leider van de Hare Krishna reeds in 1972 wist van grootschalig kindermisbruik en vrouwenmishandeling in zijn paradijzen. Er werd niet opgetreden. Waar kennen we dat van? In een verklaring werd de schuld aan de ‘verdorven westerse mens’ toegeschreven.

Het zijn voorwaarden die in die tijd veelvuldig voorkwamen bij sektes, de kraakbeweging, de wooncommunes, woongroepen en andere collectieven.

Was de zwijgcultuur binnen het katholicisme de sleutel op het slot van de beerput, in de
jaren ‘70 was de zogenaamde vrijheid de sleutel op het slot. Het gebeurde immers allemaal ‘vrijwillig’. Het is deze vrijwilligheid die de schaamte betreffende misbruik van de jaren ‘70 in stand houdt en de slachtoffers weerhoudt van openbaring. Fysieke dwang vervangen door sociale dwang. Met de feestmuts op en in bloemetjesjurk naar de abortuskliniek. Hoera.

Maar wat zijn nu de seksuele beerputten die vollopen? Wie heeft nu duidelijke machtsverhoudingen, gesloten settings, een duidelijk moraal, een zwijg- en schaamtecultuur en een duidelijk wereldbeeld? Ik gooi het op Islamitische gezinnen, al zullen kwakzalvers en kaaskopreligies ook hoog scoren. Dat Fortuyns lustjongens van Marokkaanse afkomst waren, had te maken met de zwijgcultuur. Ze liepen niet naar pa toe om te vertellen dat ze een mobieltje verdiend hadden door een kale meneer van middelbare leeftijd oraal te bevredigen. Het is bizar dat Fortuyn voor zijn vleesconsumptie afhankelijk was van dezelfde leefwijze die hij bestreed. Daar hoor je het rabiate Fortuynforum nou nooit over.

Ik kan me niet indenken dat in de gesloten setting waarin veel moslimkinderen opgroeien, de meisjes de lusten van familieleden kunnen ontlopen. Incest en misbruik zal zeker veel voorkomen. Is het niet eens tijd de tijd voor te zijn?

Frans Smeets is kunstenaar en heeft onder andere dit voortreffelijke beeld van Bono gemaakt.

13 maart 2010 — Frans Smeets

Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home