Doof (3)
Josje

Foto: Roskilde Festival
Mijn man is mijn held.
Toen wij elkaar ontmoetten, zo’n 16 jaar geleden, was hij een rasechte vrijgezel, wars van alle indoctrinatie. Ik was een timide meisje. Er was direkt een klik tussen ons. Allebei waren wij paria’s in de wereld van de doven. Ik omdat ik veel te ‘horend’ was naar de smaak van veel dove mensen, en hij omdat hij zich totaal niet conformeerde aan de gedragsregels in de wereld van de doven.
Er was echter iets groters dat mij direkt zo in hem aantrok. Nu besef ik dat dat zijn eenzaamheid was. Een soort paranoïde eenzaamheid, wat hem zichzelf tot slachtoffer maakte. En deed ik dat niet net zo hard bij mijzelf?
Wij waren in onze jonge jaren paranoïde. Hij in de zin dat hij dacht dat hij het niet verdiende om liefde te krijgen, ik in de zin dat ik dacht dat iedereen op mij lette. Hij maakte zich enorm zichtbaar om toch maar in de schijnwerpers te staan, ik maakte mijzelf onzichtbaar om toch maar uit de schijnwerpers te blijven.
De wereld van de doven was niet makkelijk voor ons, maar dat was ook de wereld van de horenden niet. Mijn man groeide op in een tijd dat Gebarentaal min of meer verboden was. Je moest goed leren praten, leren lezen. En dat terwijl doven juist van het visuele houden. Daarnaast moest hij in zijn familie continu om zijn plek vechten, maar werd ook veel te veel nadruk gelegd op zijn doof-zijn. Zijn broer en zussen moesten zich zoveel mogelijk aan hem aanpassen, wat hem niet altijd in dank werd afgenomen.
Ik had dan misschien het geluk dat de Gebarentaal in mijn familie geen taboe was, maar het werd ook niet actief uitgeoefend. Doordat ik goed kon communiceren met horenden, werd Gebarentaal niet nodig geacht. Ik heb dat in feite ook niet echt gemist. Waar ik wel veel last van had, waren mensen die continu tegen mij zeiden wat een knap kind ik toch was. Zo makkelijk rolde ik door de scholen heen en zo goed kon ik praten. Maar was ik dan geen mens met eigen gevoelens? Blijkbaar was dat niet zo belangrijk, dat ik mijzelf maar ging ‘verstoppen’.
In de loop van de 16 jaren vanaf onze eerste ontmoeting, hebben wij dat zielige wel uit elkaar geramd. Hij irriteerde zich hopeloos aan mijn zwijgzaamheid, ik irriteerde mij hopeloos aan zijn geldingsgedrag.
Eerst: “Waarom zeg je nou niets?”. “Donder toch op!”. “Waarom moet je jezelf zo bewijzen?”. “Dat doe ik helemaal niet!”.
Later: “Wat fijn dat je laat zien hoe je je voelt.”. “Dank je, schat.”. “Rustig, rustig, het is goed zo.”. “O? Ja? Ok, dan is het goed.”.
Na de geboorte van onze derde dochter begonnen wij ook elk apart in te zien dat het eigenlijk allemaal wel goed ging. Als die meisjes op ons afrennen met blije gezichten en uitgestoken handjes, zijn wij dus duidelijk wel ergens goed voor. Of als zij vertellen dat kinderen uit hun klas aan hen vragen waarom hun pappa en mamma zo raar praten en die kinderen gewoon als antwoord krijgen: “Ze praten niet raar, ze hebben alleen maar doof.”.
Mijn man en ik hebben elkaar gered, en onze kinderen ons.
Josje is op-en-top Josje. Vrolijk, slim, nieuwsgierig, op een leuke manier naïef, houdt van de zon op haar huid, rode lippenstiftdraagster, houdt van open kijk op de wereld. Hééft doof, dus ís niet doof. Lees hier de eerste aflevering van ‘Doof’ en hier de tweede.





RSS