Vrouwen
Louis Couperus

Illustratie: William Mortensen
Nu letten wij op, dat vele dezer huizen blauw zijn geverfd, als met een blauwsellaag zijn overtogen: rissen ronde schuine balken – ceder-of pijnestammen – dragen de kleine balkons en miradors, waarachter vrouwegezichten loeren.
Getooide en fel geschilderde, even getatoueerde vrouwen, nagels van hand en voet met henné getint, verzamelen op de drempels, of in de schaduwige binnenverschieten zien wij ze, hurkende, het houtskoolvuur aanwapperen en schitteren hunne breede, zilveren enkelringen en armbanden.
Deze blauwe huizen zijn de huizen-van-de-vrouwen. Naast haar staan de mannen – en van welke gemengde rassen zijn zij?? – de waarden en anderen en er tusschen door spelen en knikkeren de knaapjes en kinderen, vroegrijp en naïef, alles wetende en wijzende maar zoo geheel natuurlijk, dat van verdorvenheid te reppen dwaas zoû zijn. Zij groeien niet anders op dan de katten er doen: op een steenen, wentelend trapje, in een romantiesch poortje, zitten zes, zeven katten, grijswit, zilvergrijs, vaalwit, de eene kat boven de ander.
En bij iedere pas is het een ander ‘geval’ voor den schilder in dit romantische maar gewoon alledaagsche leven tusschen schaduw en schemer en schijn. Ook op de overdekte markten tusschen stapels scharlaken tomaten, roze uien, violette aubergines, goudgele citroenen en mandarijnen toovert dat gewone leven van Arabische kooplui en koopers en koopsters de schitterende kleurtafereelen voor ons op: zelve loopen wij er zoo gek modern en leelijk door heen en voelen, dat wij detoneeren.
Dit is het negende deel van de avonturen van Louis Couperus (1863 – 1923) in Noord-Afrika, in 1921 in feuilletonvorm verschenen in de Haagsche Post, later gebundeld als ‘Met Louis Couperus in Afrika’. Lees ook deel 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7. en 8.





RSS