Frontaal
Naakt
22 april 2011

Moskee

Louis Couperus

Het Winterpaleis, naast de verbouwde Moskee-Kathedraal – toch nog mooi van lijnen gebleven al is de hooge trap niet in stijl met de twee minarettorens – wordt niet meer door den Gouverneur-Generaal bewoond, die steeds in het buiten de stad gelegen Zomerpaleis resideert. Het Winterpaleis herbergt enkele gouvernementsbureaux. Het was in vroeger eeuwen de residentie van den Bey (later Dey genoemd) van Algiers.

De Moorsche zalen met hare ge-arabeskeerde stuc-wanden en tichellambrizeeringen, hebben wel eens mooie détails hier en daar – een dof vergulde deur, een sierlijk spits-puntig raam, het verschiet van een hof met fontein, palmboom en citroenen – maar in zijn geheel laat deze woning toch niet een indruk na van hoogsten, Arabischen stijl.

De bewoners en hunne architecten waren niet zuiver van smaak: het zeerooversbedrijf schijnt geen fijnen kunstzin te kweeken. Ten tijde van Ferdinand en Isabella waren vele Mooren Spanje ontvlucht naar Afrika’s kusten; welnu, door hun invloed drukken zij het Moorsche stempel op dezen bouwtrant, maar wat staan de Moorsche bouwwerken van Spanje zelve hooger in schoonheidswaarde dan deze bastaardpaleizen.

Toch zijn het Winterpaleis en het er over liggende Archevêché (het serail van Horouk Barbarossa) nog wel waardevolle bouwwerken onder deze gloeiende, blauwe morgenluchten. Dit wit van wanden en gevels, minaretten en zigzagtransen doet soms plotseling aan of het oversneeuwd is, of het gesneeuwd heeft.

Zoo ook de Moskeeën, de twee, die der Pêcherie en de Groote Moskee. Hoe mooi is de stemming dier witte gebouwen waartusschen de witte burnousmannen met de ernstige, bronzen gezichten en de wit gesluierde vrouwen met de donkere geheimoogen wandelen en glijden en dwalen.

In de Moskee de la Pêcherie – wij, ongeloovigen, mogen wel binnen, zoo onze schoenzolen slechts niet de matten en tapijten drukken, waarop schoenloos de geloovigen treden en biddende hurken – straalt de zon in vele bundels stralen binnen.

Of des avonds zweeft en waast er de geheimzinnige en mystieke schemeratmosfeer, waardoor als schimmen en geesten de geloovigen glippen… Of hurken, met diepe, devote buigingen, het voorhoofd tot op den grond. Een enkele hangende olielamp, hier en daar, als een bleeke opaal… In dit licht, in dezen schemer vervluchtigt alle materie.

Het is of de stoffelijke wereld doorschijnend wordt en geheel vergeestelijkt. Ik behoef mij niet af te vragen of ik aan schimmen en spoken geloof: ik heb toen de schimmen en spoken gezien, in dien avondschemer, in de Moskee…

Dit is het tiende deel van de avonturen van Louis Couperus (1863 – 1923) in Noord-Afrika, in 1921 in feuilletonvorm verschenen in de Haagsche Post, later gebundeld als ‘Met Louis Couperus in Afrika’. Lees ook deel 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9.

Louis Couperus
Reageren? Mail de redactie.