Blog tag
Peter Breedveld

Illustratie: Mirjam Vissers
Adformatie-redacteur Jeroen Mirck heeft mij uitgenodigd voor een potje Blog tag, waarbij webloggers vijf anekdotes over zichzelf vertellen en dan vijf andere webloggers te vragen dat ook te doen. Jeroen en ik hebben een stormachtige relatie en ik wil dit keer eens geen spelbreker zijn. Ik wil laten zien dat ik ook leuk kan meedoen. De kunst is alleen om vijf dingen over mezelf te vertellen waarvan ik het niet erg vind dat iedereen ze weet, en dan de lezertjes tóch niet te vervelen. Here goes:
1) Toen ik een jaar of twee, drie was, ben ik bijna geëlektrocuteerd. Ik bedoel, ik ben helemaal geëlektrocuteerd, maar ik heb het overleefd. Klaarblijkelijk. We hadden thuis zo’n ouderwetse radiokast op poten, en mijn vader had de bedrading van de radio nogal onhandig in elkaar geknutseld, met van die plastic verbindingsdingetjes, en stukken ongeïsoleerd draad. Ik was met een autootje aan het spelen, en dat kwam achter die radio terecht. Ik wilde het pakken, en raakte verstrikt in de bedrading. Ik herinner me een heleboel vuurwerk. Duizenden geel-rode vonken, die van die draden op mijn handen spatten. Daarna werd ik door een oudere heer, een lange, magere man (geen idee wie hij was), in zijn auto naar het ziekenhuis gebracht. Mijn moeder keek me huilend na. Dan herinner ik me de bezorgde gezichten van verpleegsters en een verpleger en een masker dat op mijn gezicht werd gezet met iets draaiends erin, een molentje of zo. Dan niets meer.
De littekens zijn nog heel duidelijk op mijn handen te zien, vooral op de binnenkant van mijn linkerhand. Die is bezaaid met littekens in precies dezelfde vorm als de vonken, die ik toen zag. Ze zijn voor mij het bewijs dat de persoon, die dit nu aan het schrijven is, dezelfde is als het jongetje dat toen zijn handen verbrandde.
2) Niet lang na mijn eerste bijna-doodervaring was ik aan het spelen op het terrein van de brood- en banketbakkerij waar mijn vader werkte. Mijn ouders waren tweeverdieners, er was niet altijd een oppas en dus werden mijn broer en ik vaak meegenomen naar hun werk. Op een gegeven moment was ik uit het oog verloren en ging iedereen naar me op zoek.
Nu hadden de buren van die brood- en banketbakker een hond, een enorme zwarte, monsterlijke bouvier, die als zeer gevaarlijk bekendstond. Hij lag aan een ketting voor zijn hok, en iedere keer als er iemand langs kwam, ging hij luid blaffend en grommend en schuimbekkend in de aanval. Het beest boezemde iedereen, inclusief zijn eigen meester, veel vrees in. Ik was onder het hek doorgeklommen en naar die hond toegegaan. Daar werd ik aangetroffen, vrolijk spelend met de goeiige lobbes. Van dit voorval herinner ik me zelf niets. Het is me door mijn vader verteld.
3) Toen ik nog niet zo lang mijn rijbewijs had, ben ik een keer in slaap gevallen achter het stuur. Het gebeurde ineens, ik had niet het gevoel dat ik heel moe was of zo. Ik had ook niet gedronken, ik was me wel stierlijk aan het vervelen. Het ene moment was ik aan het rijden, het volgende stond ik tegen een vangrail. Het was nacht. Ik was met een meisje, waarmee ik uit was geweest. Het had niet veel gescheeld of ik was verantwoordelijk geweest voor de dood van iemands dochter. De vader van een goede vriend van me is het ook overkomen, en die heeft het niet overleefd. Maar we hadden helemaal niks. Alleen de auto (van mijn vader) was flink beschadigd. Hij was, heel uitzonderlijk voor hem, niet eens boos. Hij vroeg alleen maar of alles goed met ons was. Sindsdien rij ik liever niet ’s nachts. Ik rij sowieso liever niet. Ik heb een tyfushekel aan autorijden.
4) Drie jaar geleden, tijdens het joggen, werd ik aangereden door een bestelauto die van het terrein van een bakkersfabriek kwam afrijden. Ik zag m op me afkomen, de chauffeur zat gewoon de andere kant op te kijken. Hij maakte een enorme vaart, ik kon geen kant meer op. Het was een geweldige klap. Echt een waanzinnig harde smak. Ik voelde mijn gezicht kraken. Ik werd door de lucht de weg opgeslingerd en op dat moment dacht ik echt dat het met me gebeurd was. Ik lag op de grond, die chauffeur stapte uit en hij begon tegen me te schreeuwen. Ik voelde de adrenaline door mijn lijf heenjagen, ik was woest. Ik wilde zijn hart uit zijn lijf rukken. Ik zou dat zeker hebben gedaan, maar toen ik opstond leek mijn linkerarm wel een ton te wegen. Mijn hele lichaam deed godsliederlijk veel pijn, overal kwam bloed uit. Ik was tot niks in staat. Dus ging ik maar terugschreeuwen. Meneer was van mening dat ik daar niet hoorde te lopen. Ja, dan mag je natuurlijk over iemand heenrijden. Een grote smoel dat-ie had. Geen greintje schuldgevoel.
Ik ben door een collega van deze hufter naar het ziekenhuis gebracht, en daar bleek mijn arm te zijn gebroken. ’s Mans werkgever, Van der Pluijm Roodenrijs, heeft daarna niks van zich laten horen. Ik heb hem herhaaldelijk gebeld met het verzoek de nodige formulieren in te vullen om de schade te regelen, en een jaar later was het nog niet geregeld. Verder geen kaartje, geen bloemetje, geen fles wijn, niks. Hork, klootzak, eikel, schurftige hond, pestilent varken. Dat de aarde je moge verzwelgen.
Ik ben een jaar lang kwaad geweest. Ik bedoel kwader dan ik normaal al ben.
5) Geel is mijn favoriete kleur.
Nu moet ik vijf bloggers aanwijzen. Dat zijn de hermafrodische cultuurpessimist Lagonda, de pittige mocro-chick Raja Felgata, de cultuurrelativistische antropoloog Martijn de Koning, de virtuoze baardaap Max Molovich en de extreemrechtse Gregorius op z’n hondjes’ Nekschot. En godverdomme, Gregorius, je doet mee of ik wil nooit meer iets met je te maken hebben.
10 januari 2007 — Algemeen
Reacties op dit artikel zijn gesloten. Wilt u reageren?
Stuur een e-mail naar de redactie.





RSS