Duyvendakjaren
Frans Smeets

Foto: UrbaNudismo
In de jaren 80 ging ik studeren in Amsterdam. Het was een onveilige wereld waar de Zeedijk en Nieuwmarkt voor de politie no go areas waren, fietsendiefstal iets was om trots op te zijn, winkeldiefstal nog proletarisch winkelen heette en waar de buitenwijken geleidelijk volstroomden met kinderzeulende jurken. De eerste minaretten verschenen en de autochtonen vertrokken geleidelijk naar Almere. De nieuwkomers werd de uitkering nog zonder vragen aan huis gebracht, soms tot in Turkije en Marokko aan toe, en studeren met een bijstandsuitkering was dè ideale manier om zonder schuld te eindigen.
Studenten kregen nog een consult van de krakersadviesgroepen en de virtuele promotielectuur van de pedofielenvereniging Martijn lag in de etalage van de seksshop. Een legertje aan lager wal geraakte hippies probeerden nog als laatste redding de grootheid van hun identiteit te bevestigen door mij als provinciaaltje te leren hoe een joint te roken. En dat was toen al… gaaaaap.
Het was een diverse, maar verzuilde wereld. Een anarchistisch rijk van duizend eilandjes, zonder cohesie en onderling contact. De overheid was een orgaan dat al die eilanden institutionaliseerde, koesterde, in stand hield. Straffen en eisen waren er nauwelijks. Een rijk waarin elk eiland zijn eigen waarheid tot universele proporties kon oppompen. En die, beschermd door een naïeve overheid, zijn gang kon gaan. Een soort spaghettiverzuiling.
Tussen die eilanden zwom ik, net als de grote massa, verloren en vol ongeloof rond.
Zoals de overheid die eilandjes koesterde, zo waren ze ook een bron waar de ambtsdragers van de toekomst uit geselecteerd werden. Het CDA had haar platteland, de PvdA en CPN/PSP/PPR (vanaf 1989 GroenLinks) hadden het eilandenrijk Amsterdam.
Op mijn eigen eiland, dat van studenten, werd het organiseren van een jaarlijkse Maagdenhuisbezetting – wat zijn we toch origineel – en een Kleine Mars’ met de trein naar het Binnenhof als een uitstekende opmars naar een politieke carrière gezien.
De nieuwkomers die zo slim waren hun eigen eilandje te creëren, werden direct als serieuze gesprekspartner gezien en vaak financieel ondersteund. Al snel hadden de partijen ook hun eigen allochtone spaghettizuilen. Het waren meestal allochtonen die helemaal niemand vertegenwoordigden behalve hun eigen familie of clan.
De spaghettiverzuiling nam alles op: vrouweneilanden, homo-eilanden, Turkeneilanden, Marokkaneneilanden, krakerseilanden, studenteneilanden, kunstenaarseilanden, enzovoort. Onder elk van die eilanden hing vervolgens een waslijst van elkaar bestrijdende subgroepen die òòk allemaal een plaats moesten krijgen. En niemand kende elkaar, wilde elkaar kennen of ging met elkaar om. De massa keek er naar en zuchtte.
Het was een oppervlakkige wereld die zonder taboes leek, maar in werkelijkheid bestond uit een groot zwijgen en een desinteresse voor alles wat buiten de eigen kleine cirkel plaatsvond. Een vrijwillige blindheid die gebaseerd was op twee absolute waarheden die elk protest tegen de spaghettiverzuiling de kop in moesten drukken.
De eerste waarheid was de les van de Tweede Wereldoorlog, die perfect propagandistisch werd weergegeven in de film Soldaat van Oranje van Paul Verhoeven uit 1977. De Nederlanders als good guys (natuurlijk een enkele NSB-er daargelaten ) en de Duitsers als bad guys. Duitsertje pesten was populair en werd vanuit de media actief gestimuleerd met allerlei goedkope Nazigrappen. Wie in werkelijkheid naar Duitsland ging zag een volk dat actief met zijn geschiedenis had afgerekend en hiervoor bereid was verantwoording af te leggen. Zelf weigerden we in die tijd te erkennen dat er iets fout’ was gegaan in Nederlands-Indië.
De tweede absolute waarheid was kritiek op het internationalisme of cultuurrelativisme. Alles waar internationaal of buitenland (met uitzondering van Duitsland) voor stond, was per definitie onfeilbaar en uitgesloten van kritiek. De Europese Gemeenschap en de VN konden in die tijd geen fouten maken. Een verzoek van mij tot onderzoek naar het gebrek aan legitimiteit van de EEG werd afgedaan met de mededeling dat dit niet kon bestaan en dat een dergelijke nationalistische manier van denken toch ècht nìet kòn. En dan hebben we het over de universiteit. Tegenovergesteld aan dit internationalisme werd elke uiting van eigen cultuur en identiteit in de hoek van bekrompenheid en nationalisme weggezet. Voor ons nationalisme hadden we immers ons eigen heldhaftig Duitsertje Pesten. Het was niet voor niets dat de studie antropologie zo’n populaire studie was in die tijd.
De opkomende problemen met de multiculti werden simpelweg met karaktermoord van de boodschappers aangepakt. De SP, die de problemen aankaartte, werd als racist weggezet en zag zich genoodzaakt in de beginperiode niet vanuit het systeem te gaan werken.
En niet te spreken van Hans Janmaat die op een misselijkmakende en fysieke manier verketterd werd. Niemand gaf hem een hand of was bereid een woord met hem te wisselen. Zijn levenspartner Wil Schuurman moest een been missen na een aanslag door de vriendjes van Duyvendak. Niemand veroordeeld. De VVD-fractie schijnt daar nog om gelachen te hebben en geen enkele andere fractie of individueel kamerlid dat een bloemetje stuurde.
Janmaat werd in de tweede kamer een kamer op zolder gegeven, zodat hij zijn levenspartner, die in een rolstoel zat, twee keer per dag de trap op moest zeulen. Niemand die een hand toestak. Dat was solidariteit in de jaren 80. De pers, van rechts tot links, weigerde elk interview met de man. Pas halverwege de jaren 90 is Janmaat door de pers ontdekt, waarna men concludeerde dat hij een paranoïde en verbitterde man was. Hoe zou dat toch komen?
Soms waren er de momenten dat alle eilandbewoners in gezamenlijkheid hun morele superioriteit konden uiten. Zo was er natuurlijk de strijd tegen apartheid, waarin het hele linkse spectrum samenklonterde om zichzelf tot good guys te bombarderen. Deze demonstraties waren altijd blanker en homogener dan de Klu Klux Klan. Aan het eind van de demonstraties kwamen de Turken en Marokkanen met de bezemwagens de troep opruimen, terwijl de leiding aan de bar op de goede afloop aan het bier zat. Op de vraag of ze misschien iets opviel?’ reageerde ze als door een mug gestoken. Het was Links dat vanuit zijn eilandarchipel bezig was om over de rug van raciale onderdrukking zijn morele gelijk te behalen. Dit, terwijl de segregatie in de wijken al tot grote problemen leidde. De anti-Apartheidsstrijd was bovenal een aparte’ strijd.
Soms waren er incidenten die de eilandbewoners verbroederden, zoals de moord op Kerwin Duynmeyer. Buiten het feit of dit nou wel of geen racistische moord was, is het erg goedkoop om je eigen moraal te ijken op een moord, begaan door een 16-jarige puber. De laatste massale stuiptrekking vond plaats met de Wij zijn woedend‘-dagen in 1992. Het had allemaal een erg groot kijk-mij-eens-goed-zijn-gehalte.
Het was deze wereld van eilanden waarin de krakerswereld van Duyvendak kon floreren. Met hun Anti-fascistisch-collectieven waren de krakers een kleine subgroep die zich vooral in de staatsliedenbuurt concentreerden. Een aantal keren ben ik met ze in aanraking gekomen.
Zo ben ik eens een keer uitgenodigd voor een afbraakfeest (de dag voor de ontruiming). Altijd in voor een feestje, had ik mijn felste hawaii-blouse aangetrokken en ben ik vol goede moed op pad gegaan. En net als bij een discotheek was er een dresscode: alleen nu van zwart met zwart en zwart. Voor een pakje sigaretten werden de principes opzij gezet, waarna ik tegen een muur van hanenkammen, gescheurde broeken en Dr Martens-schoenen (collectieven zijn altijd èrg modegevoelig) aanliep. Na een paar verdachtmakingen van collaboratie (“een stille”) afgekocht te hebben met een flesje imperialistisch Heineken, kwam ik als niet-drinker tot de ontdekking dat er slechts bier werd geschonken. Zelfs water was er niet. Een gezonde toiletgang werd gedaan uit het raam op de binnenplaats. Klagende buren werden heldhaftig bekogeld met lege bierflessen. En naarmate de bezopenheid toenam, werd de actieradius van de bierfles ook groter en aangevuld met wat ondergekotste huisraad.
Het feestje eindigde met het zingen van de nationale krakershymne ME weg ermee’ tegenover een dertigtal agenten. En nu moet ik zeggen, dat leek me wel wat, om als boer toeschouwer te zijn van een gezonde stadse matpartij. Stoeltje erbij en genieten. Het enige wat echter gebeurde was dat bij elke stap van de ME iedereen als ratten ervandoor stoof, waarna ik als enige feestganger over bleef.
Een andere ervaring van mij met het krakerswereldje vond plaats in de Utrechtse Dwarsstraat. Dit keer waren het al oudere krakers die zich niet zo interesseerden voor de strijd’ en vooral bezig waren met voortplanting en geld. De voorkant van het kraakpand was een homocollectief en de achterkant een pottencollectief. Het homocollectief werd nog bewoond door twee personen die er heel goed voor zorgden dat er niemand bijkwam. Zo hadden ze een heel grachtenpand met zijn tweeën. Buiten het ruimtelijke aspect zou dat ook veel meer geld opleveren in de onderhandelingen van uitkoop met de gemeente. De heren wilden echter per se kinderen en omdat ze meermalen hun zaad ter beschikking hadden gesteld aan het pottencollectief dachten ze zelf ook recht op een draagmoeder te hebben. Daar ging het de hele godganse dag over. En als je de labiliteit van die twee zag, je zou ze nog niet de zorg over je goudvis toevertrouwen.
Het was binnen deze diverse wereld van opportunisten, bierzuipers, profiteurs en drugsgebruikers dat de serieuzere, Duyvendakachtige types hun strijd bij Onkruid, Bluf en Rara uitvoerden. En zolang ze binnen het ijkpunt van de tweede Wereldoorlog en het cultuurrelativisme bleven, werd ze weinig in de weg gelegd.
Ik heb me lang afgevraagd wat de eilandbewoners dreef om zolang in een maatschappelijk drogbeeld te blijven hangen. Het antwoord heb ik vorig jaar gekregen van de kunstenaar Armando bij het concert van Johan Heesters, toen er protesten waren van mensen die je zo uit de jaren 80 kon plukken. Op een suggestieve vraag van een reporter over hoe hij over de protesten dacht, zei Armando: Er zijn schijnbaar nog altijd mensen die zestig jaar later verzetsstrijder willen worden.
En dat was misschien wel de kern van de jaren 80. Een star eilandenrijk dat de lafheid van Nederland tijdens WOII wegpoetste door zichzelf een duidelijke wereld van goed en slecht te creëren, waarin ze op een gemakkelijke en goedkope manier zichzelf kon neerzetten als verzetsheld.
Het is pas vanaf 2001 dat het eilandenrijk geleidelijk begint te zinken in de verwaarloosde massa om haar heen. Chris van der Heyden publiceert Grijs verleden (dit zou in de jaren 80 onmogelijk zijn geweest) en rekent af met het beeld van Nederlanders in de oorlog. Fortuyn en de afwijzing van de grondwet betekenen het einde van het eilandenrijk, al willen ze dat daar zelf nog steeds niet weten. En zelfs onze filmhoer Paul Verhoeven ziet dat het eilandenrijk gezonken is, en past als een Leni Riefenstahl van de Lage Landen in de film Zwartboek zijn historisch besef keurig aan de nieuwe omstandigheden aan.
Duyvendak staat symbool voor deze verandering. Het is grappig om te zien hoe hij binnen enkele dagen van een moreel superioriteitsgevoel naar een onderdanig, excuserend mannetje is geëvolueerd. Het is in vergelijking met de jaren 80 een totale Umwertung Aller Werten. Bekrompen en banaal Rechts, dat met een paar onbewezen verdachtmakingen, insinuaties en stereotyperingen karaktermoord pleegt op Links. Precies zoals Links dat twintig jaar lang gedaan heeft bij iedereen die zijn kop boven het morele maaiveld uitstak. Toch nog gerechtigheid.
Frans Smeets heeft de vreemde opvatting dat hedendaagse kunst behalve oeverloos gezwets en geld ook nog schoonheid in zich mag herbergen.
28 augustus 2008 — Algemeen
Reacties op dit artikel zijn gesloten. Wilt u reageren?
Stuur een e-mail naar de redactie.





RSS