Frontaal
Naakt
11 december 2010

De desinformerende universiteit (3)

Jona Lendering

Dat academici een voornamere bron zijn van oudheidkundige desinformatie dan pseudowetenschappers, en dat dit een aanwijzing vormt voor de gezondheid van onze universiteiten, zoals ik hier en hier aannemelijk hoop te hebben gemaakt, zal op ongeloof kunnen rekenen. De kwaliteit van de universiteit wordt immers voortdurend getoetst.

Het probleem is echter dat visitatiecommissies en tijdschriftredacties niet meten of nieuwe wetenschappelijke inzichten doordringen tot de samenleving. Ze bewijzen alleen dat het Nederlandse onderzoek van hetzelfde peil is als in het buitenland. Mijn cijfers suggereren dat het daar echter evenzeer verkeerd gaat als in Nederland.

De te nemen maatregelen liggen voor de hand. Het ministerie van Onderwijs moet aan de subsidiëring van het onderzoek de voorwaarde verbinden dat de resultaten gratis toegankelijk zijn op de plaats waar het ertoe doet: het internet. Daarnaast moeten online-publicaties meetellen voor een wetenschappelijke publicatielijst.

Er zijn al stappen op deze weg gezet, maar het kan geen kwaad het tempo te verhogen, en ik zou er een lief ding voor over hebben als in de huidige discussie over de universiteitsfinanciering ook de verspreiding van kennis een rol speelde. Wie écht iets wil doen voor de kennisinfrastructuur van het land, ontwerpt een financieringsmodel waarin de universiteiten worden betaald aan de hand van de wijze waarop informatie in de samenleving aanwezig raakt – het doel van wetenschap is ten slotte dat de samenleving er slimmer van wordt.

Dit klinkt utopisch, en het zal ook niet zo eenvoudig te meten zijn, maar van de andere kant: deze bezwaren zijn ook ooit geuit tegen de citatie-indexen, die nu gemeengoed zijn. Het is ten dele een kwestie van de bereidheid eens te gaan meten. Is het werkelijk de bedoeling dat wetenschappelijke kennis voor iedereen toegankelijk is en willen we op elk terrein de allerlaatste inzichten toepassen, of zijn zulke intenties beleidsporno?

Zo zal het moeten, al zie ik het, als zo’n financieringsmodel er komt, somber in voor de oudheidkunde. Ik spreek wel eens classici en oudhistorici, en ik krijg niet de indruk dat ze werkelijk lang nadenken over de wijze waarop ze moeten populariseren. Moeten ze zich toeleggen op informeren of corrigeren? (Ik zou zeggen: na vijftien jaar ongehinderde desinformatie heeft het laatste topprioriteit.) Moet de markt voor oudheidkundige populairwetenschappelijke boeken in handen blijven van commerciële uitgeverijen, moeten de universiteiten de zaken naar zich toetrekken, of zijn er manieren om de uitgeverijen te adviseren? (Ik aarzel tussen het tweede en derde antwoord.) Moeten de Nederlandse oudheidkundigen bij het publiceren van populairwetenschappelijke boeken uitgaan van het aanbod – datgene wat ze onderzoeken – of van de vraag? (Ik denk dat de eerste oplossing vooral zal bijdragen aan het de opvatting dat ze wereldvreemd zijn.)

Dit zijn voor de hand liggende kwesties, maar de Nederlandse oudheidkundigen zijn zelfs verdeeld over de vraag of ze erover hebben nagedacht. Sommigen zeggen van niet, anderen zeggen dat de beleidsnota alleen maar zoek is.

Niet iedereen zal me willen geloven, maar er zou veel worden gewonnen als academici deze stelling wilden overwegen: dat het de afgelopen vijftien jaar althans denkbaar is geworden dat de pseudowetenschappen niet het echte probleem vormen. Gebruik mijn conclusies, hoe ongeloofwaardig misschien ook, als aanleiding het eens uit te zoeken. Het is mogelijk dat alle aandacht voor de pseudowetenschappen, die inderdaad opvallend zijn, in feite ons zicht blokkeert op frequentere vormen van wetenschappelijke desinformatie, die, doordat ze minder opvallen, gevaarlijker zijn.

Historicus Jona Lendering won in 2010 de Oikos Publieksprijs. Dit is het laatste deel van een bewerkte versie van zijn dankwoord. Het eerste deel begint. Het eerste deel vindt u hier, het tweede hier.


Reacties gesloten. Mail de redactie.

« home