Frontaal
Naakt
14 augustus 2012

De sprakeloze politicus

Dennis l’Ami

‘Wij willen het eerlijke verhaal vertellen over de crisis en dus zullen sommige politici over hun eigen schaduw heen moeten stappen. We kunnen de rekening natuurlijk niet bij onze kinderen neerleggen. We moeten nu samen de schouders eronder zetten om Nederland sterker te maken voor de toekomst. Of wij daarvoor regeringsverantwoordelijkheid wilen dragen? Het woord is eerst aan de kiezer!’

Van wie deze woorden zijn? Van niemand, en tegelijkertijd van iedereen. Het kunnen woorden van Samsom zijn, maar evengoed van Rutte. Het doet er eigenlijk niet toe. Het is een symptomatisch verschijnsel: het eenzijdige, weinig originele taalgebruik in de politiek anno nu is al enige tijd aan een opmars bezig en maakt politieke teksten inwisselbaar. Een kleine greep uit de titels van de partijprogramma’s voor de komende verkiezingen:

‘Niet doorschuiven maar aanpakken’

‘Nieuw vertrouwen’

‘Iedereen’

‘Daad bij het woord’

of tot slot

‘En nu vooruit!’

Inderdaad, dit kan een aardig spelletje kwartet opleveren. Politici en politieke partijen gebruiken tegenwoordig dezelfde kretologie en retoriek, terwijl ze welbeschouwd maar één wapen hebben om zich te onderscheiden van de ander: het gesproken woord.

Des te vreemder is het dat politici het grossieren in gemeenplaatsen anno 2012 tot kunst hebben verheven. Een authentiek verhaal (helaas een inmiddels aan inflatie onderhevige term) is toch echt het enige wat een kiezer wil horen om tot een keuze te komen. Voor zover je een politicus kunt leren kennen alvorens het stemhokje in te stappen, is dat dan ook wel het minste wat je mag verwachten van een volksvertegenwoordiger.

De enige twee die zich aan deze malaise weten te onttrekken zijn niet geheel toevallig verkiezingskanonnen: Emile Roemer en Geert Wilders. De eerste omdat hij zo aimabel overkomt en de tweede om het tegenovergestelde. Beide heren schuwen de taalkundige overdrijving niet en venten die uit, wat in het huidige medialandschap bijna automatisch leidt tot zetelwinst. Job Cohen, de vleesgeworden nuance, kan er inmiddels over meepraten.

Natuurlijk, er zijn oorzaken aan te wijzen voor de algehele teloorgang van spreektalent in de Kamer. Tegenwoordig is er een klein leger aan spindoctors werkzaam op het Binnenhof, die iedere eigenzinnigheid de kop indrukken.

Spindoctors zijn dan ook net echte spinnen: ze trekken aan de touwtjes en sturen politici hun web in, op zoek naar aandacht voor hun boodschap. Als er vervelende vliegjes verschijnen worden die snel uitgeschakeld.

Maar als al die spindoctors écht succesvol waren, zouden alle partijen 60 zetels hebben en dat is niet zo, waarmee het bewijs geleverd is dat zij toch vooral duur betaalde gebakken luchtverkopers zijn. Dat ook zij net mensen zijn en het soms ook niet meer weten schijnt ondertussen bij geen politicus op te komen. En die partijleider maar ja knikken als het campagneteam hem of haar influistert dat hij of zij ‘vooral moet proberen naturel over te komen en vooral geen fouten te maken.’

De economische belangen zijn groot en lobbyisten zwermen als hongerige wolven om de heren en dames heen, zeker gedurende verkiezingstijd. Politici staan onder grote druk en zijn vaak, gewild of ongewild, speelbal van het grootkapitaal. In het geval Hans Hillen bleek de grens tussen politiek en bedrijfsleven bijvoorbeeld niet altijd even scherp te zijn: als senator ‘vergat’ hij te melden dat hij lobbyist was voor de tabaksindustrie. Mat Herben lobbyde zelfs eigenhandig de JSF door de Kamer. Een oud gezegde luidt ‘wiens brood men eet, wiens taal men spreekt.’

Nu bestaat belangenverstrengeling al zo lang als de politiek, en kan ook dat niet worden opgevoerd als een excuus voor de huidige malaise in het politieke taalgebruik. Het lijkt er meer op dat de mediacratie waarin we leven een goede omgang met de media vereist. Met grotere media-aandacht komt een grotere kans op fouten. Zie daar het belang van spindoctors, die getraind zijn in het omzeilen van lastige vragen.

En toch… kennelijk hebben de spinnen niet zoveel toegevoegde waarde als vaak wordt aangenomen. Zou het niet verfrissend zijn als politici wat vaker zelf met een verhaal zouden komen?

De vraag stellen is hem beantwoorden. Is het écht zo erg als een politicus niet meteen een van te voren gefabriceerd antwoord klaar heeft naar aanleiding van een journalistieke vraag over de Europese crisis? Getuigt een politiek leider die zegt een paar dagen na te willen denken alvorens tot een standpunt te kunnen komen over een ingewikkelde kwestie van een beperkte intelligentie?

Nee, eerder van het tegendeel. Politieke daadkracht is één ding, waar die daadkracht op gebaseerd is, dat is vers twee.

De waan van de dag in de landelijke dagbladen, de vluchtigheid van Twitter, de strijd om quotes op radio en tv: het staat haaks op de kern van politiek bedrijven: weloverwogen beslissingen nemen. Politici moeten de moed hebben ‘de rug recht te houden’ (nog zo’n fijne dooddoener) en wat vaker weigeren een one-liner weg te geven die het weliswaar goed doet in de media, maar die uiteindelijk tot niets anders leidt dan inflatie van het politiek bedrijf.

En is dat ook niet meteen het échte grote ongenoegen van de zwevende kiezer? De politicus die zijn woord breekt zodra er politiek voordeel te halen valt omdat dat woord niet van die politicus is, maar van de spindoctor, van de lobbyist of een ander belang? Hoe kan een politicus zich gebonden voelen aan een woord dat niet eens de zijne of hare is?

De politicus moet terug naar het woord. Het eigen woord. Te beginnen in de komende weken. Te beginnen bij deze verkiezingen. Dat is pas een eerlijk verhaal.

Dennis l’Ami verdient zijn brood als freelance ontwerper en publiceerde vorig jaar de roman De Eeuwige Mens. Lees zijn weblog.


Reacties gesloten. Mail de redactie.

« home