Manke Melis
Makbouli

Illustratie: Julian Mandel
Manke Melis was een oude inbreker. Zo één die het inbrekersambacht tot kunstvorm had verheven. Nadat hij ooit eens door de politie werd achtervolgd, klom hij een hek met prikkeldraad over. In zijn haast om aan de andere kant te komen, maakte hij een misstap en raakte met één been in het hek verstrikt. En zo bungelde hij ondersteboven aan het hek wachtend op de kit om hem aan te houden en te bevrijden. Die waren hem echter uit het oog verloren en zo gebeurde het dat Melis daar uren hing voordat hij werd gevonden.
Het gevolg was een voet die door ontstekingen nooit meer juist functioneerde. Zo werd Melis Manke Melis.
Het door hem geliefde inbrekersambacht moest hij, na nog wat verwoede pogingen, daarna vaarwel zeggen. Manke Melis raakte aan de drank en werd een zielig hoopje mens. Vaak zag ik hem door de wijk strompelen of kwam ik bij hem thuis omdat de buren weer eens hadden geklaagd over stankoverlast. Ik kon er niets aan doen, maar ik ontwikkelde een vorm van sympathie voor hem. Hij was cynisch en had de zwartgallige humor waar ik zo van houd. Hij begreep dat het niets meer zou worden met hem.
Als ik de moed had om wat langer bij Manke Melis in zijn huis te blijven, dat stonk als een bunzing, probeerde ik hem ervan te overtuigen dat hij echt wat hulp nodig had. Het huis was altijd donker en spullen stonden opgestapeld in alle kamers. In de keuken stond waarschijnlijk een keukenblokje. Dat was al enige jaren niet meer zichtbaar door resten van etensverpakkingen en de vuile vaat, die beschimmeld op het aanrecht stond. De grond werd als vuilnisbak gebruikt. Daglicht werd buiten gehouden door vieze zure lappen die voor de ramen hingen.
Eens overtuigde ik hem van de noodzaak van wat thuiszorg. De hulp die binnenkwam, wist niet hoe snel ze, al kokhalzend, weer weg moest wezen. Een dappere nieuwe hulp schold hij de huid vol en stuurde haar het huis uit.
Alcohol was zijn beste vriend en grootste vijand geworden. Als hij weer eens strontlazarus het bureau binnen waggelde, voerde hij de meest diepzinnige, met alcohol doorwasemde gesprekken met me. Ik nam hem altijd serieus en onbewust groeide mijn sympathie voor het vieze stinkende stukje mens dat voor mij stond.
Op een dag lag hij voor het bureau midden op straat. Natuurlijk ging ik bij hem kijken en hij reageerde nergens meer op. Snel liet ik een ambulance komen en hij bleek flink gedronken ter hebben terwijl hij een aversiemiddel (medicatie die er voor zorgt dat je ziek wordt als je alcohol drinkt) had gebruikt. Vanzelfsprekend was hij snel weer thuis. Iedereen vond het onverantwoord dat hij in die staat leefde, maar niemand deed iets of kon er iets aan doen. De vuiligheid stapelde zich ondertussen gewoon verder op.
We hadden hem al weken niet gezien, maar dat gebeurde wel vaker, toen hij werd gevonden in zijn zwaar vervuilde woning. Dood. Het deed me meer dan ik wilde toegeven.
Soms denk ik nog wel eens aan Manke Melis met een melancholisch gevoel. Gevoelsmatig had ik meer voor hem willen doen, voor hem het verschil willen maken om een menswaardig bestaan te voeren. Rationeel snap ik ook wel dat dat waarschijnlijk geen zier had uitgemaakt en dat mijn definitie van een menswaardig bestaan niet matchte met hetgeen hij wilde voor zichzelf. En dat maakt me soms intens verdrietig.
Als Makbouli later groot is, wil ze Minister van Veiligheid worden óf baas van de Dierenpolitie. Tot die tijd adviseert ze de bestuurders op het gebied van openbare orde en veiligheid en schrijft ze (soms) over klein en groot leed. Daarbij put ze uit haar ervaringen als politieagent in Amsterdam. Meer op haar weblog.





RSS