Suiker
Alf Berendse

Ik heb een lichte vorm van diabetes, type 2, weet ik sinds februari 2008. Omdat ik geen verantwoordelijkheid uit de weg ga, vroeg ik mijn huisarts of ik de kwaal mocht wijten aan eigen gedrag, aan mijn leefstijl. Ik heb onnodige ponden vlees, ik ben niet meer skinny. Ach, ik was zo mooi mager, ik droeg de schaduw van mijn botten als een huid. En ik eet ongebruikelijk, sinds mijn jeugd zelden overdag. De dokter haalde daarover zijn schouders op en weet mijn diabetes aan ‘gewoon pech’. Als troost bood hij mij een chocolaatje aan.
Diabetes veroorzaakt een hoge bloeddruk; suiker en bloeddruk gezamenlijk zijn niet goed voor mijn nieren. Ze lekken eiwitten, werd ook in februari 2008 vastgesteld. Als de druk niet afneemt en nierfalen doorzet, ligt dialyse in het verschiet. Dat zal ik afwijzen, ik ben Bart de Graaff niet, ik wil ook geen tweedehands nier. Ik ben meer als mijn vader. Hij had – naast andere kwalen, geen orgaan was veilig in zijn lichaam – ook diabetes (type 1) en nierinsufficiëntie. Het bleef tobben, ondanks insuline spuiten, een Tupperwarebox vol medicijnen (‘deze krijgt u omdat u die andere ook hebt’) en nierdialyse. Hij hield het vol tot hij het zat was, wilde toen geen behandelingen meer en stierf. Een psychiater, naar zijn ziekbed gestuurd door de nieroloog die zijn werk wilde behouden, dreigde nog met een verklaring van wilsonbekwaamheid. Opdat de dialyse onder dwang kon worden voortgezet. Hij ging uiteindelijk niet zo ver, ik zou hem hebben geslagen en hard ook. Sorry, ik dwaal af.
Ik slik medicijnen, die zijn niet zo effectief als insuline spuiten, te indirect. Insuline jaagt suiker het bloed uit, weefselcellen in, waar het thuishoort. De pillen hebben een tragere uitwerking op mijn verstoorde fysiologie: Metformine vermindert de aanmaak van suiker wat, Tolbutamide bevordert de productie van lichaamseigen insuline een beetje.
Insuline spuiten is niet gebruikelijk bij diabetes type 2. Schommelingen in de suikerspiegel zijn minder heftig dan bij type 1, acuut ingrijpen is zelden nodig. Maar doe mij maar een paardenmiddel – wham, bam, thank you m’am. Meer pillen is mogelijk. Daarvoor moet eerst het bloedsuikergehalte opnieuw worden gemeten, mijn huisarts verwijst mij naar een filiaal van de Stichting Huisartsen Laboratorium. Daar moet ik nuchter heen, op een tijdstip dat ik liever thuis zit met een kop koffie. Ik ben geen volgzame patiënt, mijn compliance is zo laag als mijn bloedsuiker hoog is. Ik verdom het om ziekte veel aandacht te geven in mijn dagelijks bestaan, ik ga nog liever dood. Dat geneest niets, maar maakt wel een einde aan elke kwaal.
(Ik ben niet bang voor de dood, Epicurus leerde mij dat af. Hij schreef: ‘Als ik er ben, is de dood er niet; als de dood er is, ben ik er niet.’ Of schreef Epictetus dat? De uitspraak is hedonistisch èn stoïcijns.)
Enfin, ik vermoed dat mijn bloedsuikerpeil het niveau van anderhalf jaar geleden benadert, ik heb de klachten van toen. Weinig energie, veel dorst. En emotionele labiliteit. Weinig energie stoort mij, ik heb een afkeer van moe zijn – mijn favoriete drug was speed, nooit meer slapen. Dorst stoort mij niet, de kraan is geduldig.
De emotionele labiliteit boeit mij, omdat het strijdig is met hoe ik over mijzelf denk. Ik moet mijn zelfbeeld beschermen tegen mijn lichaam, mijn wil verliest het anders van mijn fysiologie. Met teveel suiker in mijn bloed slaan emoties op hol. Ik erger mij aan van alles en nog wat, maar ook ervaar ik, dronken van sentiment, een diep mededogen met iedereen. Op Frontaal Naakt schrijf ik gemeen tegen Herman van der Helm èn lyrisch over een lied van Frank Boeijen. Mijn neiging te reageren is sowieso groter dan anders. En mijn hond, een jonge Beagle, lijkt opeens zo kwetsbaar, ik weet zeker dat ik hem niet goed verzorg. Ik zie op straat een oude vrouw die moeilijk loopt, maar dapper zonder rollator, en voel een diep verdriet. Ach, de mens, wee de mens. Het gaat de hele dag zo door, ik word er gestoord van. Ik eindig huilend in een prikkelarme omgeving.
Ik vertrouw mijn reacties niet meer, spontaniteit is dus uit den boze. Ik ga mensen uit de weg, ik ben te moe om ze te willen ontmoeten en moet ook nog eens extra op mijn tellen passen: ik weet niet meer of ìk praat of dat mijn fysiologie aan het woord is. Een onwezenlijk onderscheid, ik en mijn fysiologie, ik ben één geheel. Toch? Descartes scheidde de mens in lichaam en geest, een dichotomie die ik afwijs. Maar nu ervaar ik het wel zo, mijn geest moet zich verweren tegen een te emotioneel lichaam. Mijn denken vertrouw ik echter ook niet meer. Er lijkt een positief effect te zijn: ik schrijf sneller, ik heb meer invallen. Veel associaties, creatiever, en misschien is het niet eens slecht. Maar gedachten dringen zich op. Ik wandel met de hond, met pen en papier op zak, want het ratelt in mijn hoofd en het lijkt allemaal zo belangrijk wat ik denk, ik moet het niet vergeten, opschrijven.
Ik ben niet meer onthecht van wat om mij heen gebeurt, ongewenste emoties overspoelen mij. Én ik relativeer mijn denken niet vanzelfsprekend, waardoor ik mijn oordeel over mijzelf niet meer kan vertrouwen.
Van kindsafaan leg ik mij toe op het temperen van mijn gevoelens, ik had goede hoop dat emotionele schommelingen niet meer in mij zitten. Diabetes ondermijnt dat. Ik ervaar sterke emoties als ziekteverschijnsel, als symptoom. Mogelijk zijn luchtiger gevoelens ook symptomen van kwalen: “Schat, echt, ik hou van je. Natuurlijk hou ik van je, ik heb varkensgriep.”
Rekening houdend met de medische conditie van Alf Berendse heeft FN een lawine aan door hem geschreven artikelen afgewezen, waaronder bedreigingen aan het adres van staatssecretaris Sharon Dijksma en een ode aan Laura Dekker.





RSS