Taakstraf (2)
Özcan Akyol

Illustratie: Francisco Zúñiga
Jos slingerbeende over het terrein en keurde de perkjes met de punctualiteit van een trendy kapper. Als hij een plukje onkruid detecteerde, hoe minimalistisch ook van karakter, dan stak hij met onduidelijke, grommende stem een heel sermoen af, propvol met verwijten aan ons adres. Doch niemand was bang voor hem, hij was enkel verschijning. Op deze woensdag hadden we tropische temperaturen. Anders dan de voorgaande dagen was de groep ook veel groter. Er had zich in de ochtend namelijk een bus uit Apeldoorn gemeld, onze collega’s uit Gelderland. Die hufters werkten zich uit de naad. Wat heet! Terwijl wij, de Deventenaren, een uur deden over twee vierkante meter, had de schoffelploeg uit Apeldoorn een heel perk uitgekamd.
Mocht de zon niet zo fel op ons hebben geschenen, ik had ongetwijfeld beter mijn best gedaan. Maar nu stond ik daar een beetje landerig voor me uit te kijken, ik telde de minuten af tot de middagpauze en logde zo nu en dan in op mijn mail en Twitter. ‘Stop die telefoon nu eens weg, anders schop ik je terug naar de rechter!’ brieste Jos regelmatig tegen mij. Ik gehoorzaamde, keek hem met minachting aan en nam niet de moeite hem tegen te spreken. Hij was een dienstklopper uit het dorp, met fris wantrouwen tegen alles wat met de stad te maken had. Dat kon je aan zijn houding zien. Hij beschouwde ons als de vijand.
Tijdens de pauze zag iedereen er afgepeigerd uit, ook het personeel van Reclassering Nederland – de werkmeesters. Want nu de groep groter was, had men extra werkmeesters opgetrommeld. De taakstraffers zaten buiten allemaal bij elkaar. Het personeel verwijlde in de eigen keet. Rachid toverde een voorgedraaid jointje uit zijn zak en stak het op. Dat was voor een Slavische jongen uit Apeldoorn de vrijbrief om een envelopje tevoorschijn te halen. Hij stak er een sleutelpunt in, bewoog die vervolgens naar zijn neus en snoof het witte poeder heel diep naar binnen. Wij keken hem bewegingloos aan. ‘Wat?’ riep hij verongelijkt. ‘Die normaal is. Wij werken hard.’ Iedereen moest synchroon lachen om die knaap.
Jos stoof naar buiten toen hij het rumoer hoorde, als een roofdier dat altijd alert is. Hij liet zijn lege blik langs de groep glijden. Rachid bleef ijzerenheinig doorpaffen. Jos besloot om een paar minuten bij ons te zitten, gewoon voor de zekerheid. Iedereen zweeg. Ik keek hem aan en zag een vermoeide man. Zelfs zijn fantasie leek uitgeput. Hij zat daar maar, in afwachting van nieuwe gedachten, of misschien hoopte hij wel dat hij nooit meer hoefde te denken. Onze pauze duurde anderhalf uur. Volgens de brief die ik van de reclassering kreeg, had ik maar recht op dertig minuten pauze. Doch mij hoorde je niet klagen. We hadden al ons werkgerei verzameld, toen ineens een discussie ontsprong tussen de verschillende werkmeesters.
Het zat namelijk zo: Jos en zijn secondant wilden oostelijk van het terrein de schoffelwerkzaamheden hervatten, maar de werkmeesters uit Apeldoorn hadden het plan opgevat om westelijk aan de slag te gaan. Ze kwamen er onderling niet uit. ‘Alle jongens uit Apeldoorn. Wij gaan ergens anders heen!’ brulde de Gelderse werkmeester. Met gierende banden vertrokken zij. Jos kreeg een rode teint. Hij liep stampvoetend naar de keet en belde iemand, vermoedelijk zijn contactpersoon op het hoofdkantoor. ‘Jongens, hier is schraalhans keukenmeester,’ grapte ik. Rachid en een andere Marokkaanse jongen keken me onbegrijpend aan. ‘Ik bedoel,’ verhelderde ik, ‘dat we net zo goed die keet in de fik kunnen steken, want er is niemand die op ons let.’ Nu moesten zij lachen.
In afwachting van Jos en het einde van zijn telefoongesprek gingen wij onder een boom zitten, uit de zon. De verveling was ongekend. Om twaalf uur waren we hier gearriveerd, aanvankelijk om te pauzeren, doch na drie uur zaten we er nog steeds, alleen omdat de werkmeesters onderling ruzie hadden. Jos sjokte rond 15.00 uur uit de keet en sprak voor zijn doen erg timide. ‘Het is wel erg warm, hè?’ vroeg hij ons. Ik keek naar de hemel en zei verder niets. ‘Het is wel leuk geweest voor vandaag,’ verklaarde hij vervolgens. En we hoefden alleen nog maar een half uur te wachten, tot het einde van de taakstrafdag.
Ik stapte thuis uit de douche, droogde me af en zag toen op het scherm van mijn mobiele telefoon dat iemand mij had gebeld. Onbekend nummer. Ik luisterde het voicemailbericht af, en herkende de stem van mijn contactpersoon bij Reclassering Nederland. Ze deelde me mede dat mijn taakstraf per direct werd stopgezet en dat ik wederom moest voorkomen bij de rechter. Ik had me misdragen volgens haar. Ik probeerde terug te bellen, maar het kantoor was gesloten. Ik overpeinsde de hele avond wat er die dag was gebeurd. Niets leek van een karakter om tot zulk een drastische maatregel te komen. Er restte mij niet anders dan wachten tot morgen. Met nog een dag te gaan eer ik klaar zou zijn met de werkstraf was ik verbannen. En de redenen waren mij onbekend.
Özcan Akyol is een megalomane verhalenverteller met een pathologische geldingsdrang en een chronische schrijf- en leeswoede. Bovenstaande is het tweede deel van een drieluik over zijn taakstraf, die hij kreeg opgelegd vanwege dit akkefietje. Deel één leest u hier. Hier en hier leest u zijn verslagen over de taakstrafperiode in Zwolle. Meer schelmenverhalen op zijn blog.
Reacties op dit artikel zijn gesloten. Wilt u reageren?
Stuur een e-mail naar de redactie.






RSS