Taakstraf (3)
Özcan Akyol

Foto: Adeline Keil
De volgende ochtend belde ik direct Reclassering Nederland op. Ik kreeg mijn contactpersoon niet te pakken, want die was iedere woensdag vrij. Een collega vertelde dat ik me ernstig had misdragen, het was zelfs zo erg dat ze me niet eens voor een gesprek zouden uitnodigen en dat mijn zaak zou worden teruggestuurd naar de rechter. De frustraties maakten zich meester van mij. Veertig dagen brommen, de sanctie die men vooraf had bedacht voor het geval ik tekort zou schieten, vond ik niet eens het grootste probleem, ik stoorde me vooral aan het raadselachtige karakter van hun draconische maatregel. Ook spitte ik de twintig standaardregels van de reclassering door, maar die boden geen soelaas.
Ik vroeg de medewerkster herhaaldelijk wat dat dan was, wat ik had gedaan. Doch er kwam geen antwoord. ‘Je mag wel weten dat je het gesprek van de dag bent, hier bij ons op kantoor,’ verzekerde ze mij hautain. ‘Wat moet ik met die informatie, boerenkaffer?’ vroeg ik op mijn beurt. Ze zweeg. ‘Nu goed, bel morgen dus maar terug.’ We hingen op. Ik slenterde door het huis, analyseerde nogmaals al mijn handelingen en gesprekken tijdens de taakstraf, maar tot een antwoord kwam ik niet. Ik belde Jos op. Hij zei alleen: ‘Geen commentaar. Geen commentaar. Geen commentaar!’ De man dacht dat ik een journalist van De Telegraaf was.
Er restte me niets anders dan wachten. Pas na een dag zou mij alles worden uitgelegd, als ik een telefonisch onderhoud had gehad met mijn contactpersoon. Toen ik de volgende morgen heel vroeg belde, kreeg ik eerst een paar keer het antwoordapparaat. De telefoon was kennelijk nog niet bemand, terwijl in de ‘welkomstbrief’ die ik kreeg, duidelijk te lezen viel dat het kantoor geopend had moeten zijn. Na een kwartier probeerde ik het nog een keer. Nu kreeg ik een vrouw aan de telefoon die hijgend vertelde dat ze me zou doorverbinden. ‘Hellen?’ Ik hoefde maar m’n naam te zeggen en zij stak van wal. ‘Ja! We hebben je werkstraf beëindigd, omdat jij een ernstige overtreding hebt begaan.’
‘Wat dan?’ vroeg ik. Ik hoorde haar frommelen met papieren. ‘We hebben een aantal tweets van jou gevonden op internet. Eentje kan absoluut niet door de beugel!’ Ze liet een stilte vallen, ongetwijfeld wachtend op mijn repliek. Maar ik dacht alleen na. Ik had veel onzin op internet gegooid, louter uit verveling, doch op welke specifieke tweet zij doelde, was mij een raadsel. ‘Welke tweet, mevrouw?’ vroeg ik derhalve. Ze parafraseerde: ‘Het betreft een tweet waarin jij de buitenwereld kenbaar maakt dat er onderlinge strubbelingen zijn tussen de werkmeesters. Daarbij suggereer je dat je de keet in brand wilt steken. We zijn daar niet van gediend en willen dat je hier op gesprek komt.’
‘Mevrouw, denkt u werkelijk dat ik tijdens mijn taakstraf een keet in de fik zou steken? U begrijpt niet dat het satire is?’ Ze liet weer een stilte vallen. ‘Nou, goed,’ zei ze vervolgens, ‘ik ken jou niet, dus ik moet dat van een afstand inschatten.’ Daarop haakte ik in: ‘Waarom kent u mij niet dan? U bent toch verplicht om een intake-gesprek met mij te voeren?’ Mijn contactpersoon gaf geen antwoord. Ze wilde, voor zover mijn agenda het toeliet, dat ik morgen langs zou komen op kantoor. Dan konden we dit ‘uitpraten’. Ik stemde gedwee in, vooral omdat ik de resterende uren straf wilde afwerken, om daarna verlost te zijn van de reclassering.
Terwijl ik de volgende dag naar het kantoor van Reclassering Nederland liep, vroeg ik me af welke regel ik nu eigenlijk had overtreden. We mochten bellen en internetten tijdens de pauzes, er staat niets over een geheimhoudingsplicht in de standaardregels en volgens mij had ik ook niemand zitten opruien, aangezien geen van mijn collega’s actief is op Twitter. Van lieverlee vatte bij mij de gedachte post, dat de voortijdige stopzetting van mijn werkstraf helemaal nergens over ging. Een farce! Ik arriveerde op kantoor en werd door Hellen en een collega van haar begeleid naar een bestofte ruimte. Haar gezel was een dertiger met een alledaags gezicht. Hij keek uit zijn ogen alsof de levensvreugde met de noorderzon was vertrokken.
‘Goed,’ zei Hellen, ‘we hebben al telefonisch contact gehad en jij weet nu waar het over gaat. We willen je nog een tweede kans geven.’ Ik staarde Hellen, een oudere vrouw met een broos lijf, aan in haar azuurblauwe ogen en kon een spottend lachje niet onderdrukken. ‘Wilt u niet dat ik me eerst verweer?’ Hellen keek ongemakkelijk naar haar collega, die met een lepeltje speelde en zich afzijdig hield. ‘Wij wisten ook niet zo goed wat we met zo’n tweet aanmoesten. Het is nieuw voor ons. Daar moeten we intern over vergaderen,’ ging zij verder. ‘Waarom leest men hier op kantoor überhaupt mijn tweets. Hebben jullie niets beters te doen?’ Nu keek het duo me ongemakkelijk aan, zonder antwoord te geven.
‘En nu ik hier toch zit, vroeg ik me af: Hoe heeft u deze tweet beoordeeld?’ Hellen kreeg een rode teint. Ze begon stamelend aan een zin, doch haar collega interrumpeerde. ‘We kunnen wel in discussie gaan, de hele middag als je wilt, maar dat heeft geen zin. Je mag die vijf uurtjes inhalen. Daarna ben je af van de straf. Dat is toch prima?’ Ik keek hem verbaasd aan, meer vanwege het feit dat hij überhaupt sprak – de inhoud van zijn verhaal was minder belangrijk. Ik stond op, gaf beide medewerkers een hand en verliet het pand. Nog vijf uur mocht ik als taakstraffer werken met Jos. En dat was bij nader inzien meer inspirerend dan een gevangenisstraf van veertig dagen.
Özcan Akyol is een megalomane verhalenverteller met een pathologische geldingsdrang en een chronische schrijf- en leeswoede. Bovenstaande is het tweede deel van een drieluik over zijn taakstraf, die hij kreeg opgelegd vanwege dit akkefietje. Deel één leest u hier, deel twee hier. Hier en hier leest u zijn verslagen over de taakstrafperiode in Zwolle. Meer schelmenverhalen op zijn blog.
Reacties op dit artikel zijn gesloten. Wilt u reageren?
Stuur een e-mail naar de redactie.






RSS