7 mei: Saih Bin Sakam Dag
Peter Breedveld

Illustratie uit Die Schönheit
Afgelopen zaterdag, 7 mei, is op 88-jarige leeftijd Saih Bin Sakam overleden, de laatste overlevende van het bloedbad van Rawagede, één van de ergste Nederlandse oorlogsmisdaden. Ik schreef in november vorig jaar dit stuk over Bin Sakam, die naar Nederland was gekomen om met onze koningin te praten. De majesteit weigerde dat botweg, evenals de rest van onze regering. Alleen parlementariërs Harry van Bommel en Arjan el Fassed hadden een ontmoeting met hem.
Ik schaam me daar als Nederlander vreselijk voor. Iemand wees me erop dat, als je Bin Sakams naam googelt, het marginale weblogje Frontaal Naakt één van de eerste hits is. Ook daar schaam ik me voor, want het duidt op een nadrukkelijke desinteresse voor de slachtoffers van het Nederlandse koloniale bewind in het toenmalige Nederlands-Indië.
Geïrriteerde Nederlanders wijzen me er vaak op dat er op school heus wel over de Politionele Acties van Nederland in Indonesië wordt verteld, en dat die acties worden veroordeeld. Dat Nederland zo edelmoedig is te erkennen dat het fout was.
Maar zolang er nog gebruik wordt gemaakt van het misselijkmakende eufemisme ‘Politionele Acties’ om een bloedige koloniale oorlog aan te duiden, een orgie van gewelddadige onderdrukking, compleet met massaslachtingen en terreurdaden tegen de bevolking van Indonesië, geloof ik er niks van dat er in Nederland ook maar iets van schuldbesef leeft. Zolang Nederland pertinent blijft weigeren om onverkort officiële excuses aan te bieden voor de agressie, weet ik dat eigenlijk wel zeker.
En ja, ik weet dat er een keer een Nederlandse ambassadeur bij een Indonesische herdenking is geweest, en dat de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot een keer mocht zeggen dat het hem speet. Als in: “Het spijt me dat het allemaal zo gelopen is.” Dat zijn geen excuses.
Nederland heeft altijd een grote mond over de Duitsers en de Japanners, maar die waren nog maar net verslagen toen Nederlandse troepen net zo hard tekeer gingen in Indonesië als de Nazi’s even tevoren in hun eigen land. En we hadden daar al zoveel groots verricht. Ik noem een Atjeh-oorlog, ik noem een genocide op de bevolking van het eiland Banda, door een man wiens glorieuze nagedachtenis nog altijd wordt geëerd met de Coentunnel. Ja, ja, die VOC-mentaliteit.
Maar niemand weet dat hier. Niemand weet wat de Atjeh-oorlog was, niemand weet van het uitmoorden van de Bandanezen, de naam Rawagede zegt hier niemand iets, laat staan de naam Saih Bin Sakam. Nederlanders praten liever over de barbaarse regimes in islamitische landen, over de ‘achterlijke islam’.
Ze denken echt dat Nederland Indonesië heeft klaargemaakt voor de onafhankelijkheid, met infrastructuur, scholing en gezondheidszorg. Ze weten niet dat er in Nederlands-Indië Apartheid bestond. Dat inlanders niet eens met Nederlanders in hetzelfde zwembad mochten. Inentingen waren niet voor inlandse kinderen, evenmin als fatsoenlijke scholing. Bijna de voltallige inlandse elite van Nederlands-Indië is opgeleid in Japan, niet in Nederland.
En dat is wat ik weet over Indonesië. Over Suriname en de Antillen weet ik nauwelijks iets. Behalve dat recalcitrante Nederlanders in Nederlands-Indië, die voor de inheemse bevolking opkwamen, zoals Lo Hartog van Banda, in de Tweede Wereldoorlog als landverraders in kooien werden verscheept naar Suriname, naar de Jodensavanne, waar ze de hele oorlog in werkkampen hebben doorgebracht.
Nederland heeft geen enkel land iets te verwijten. Nederland was zo fout als maar kan in de oorlog. In de koloniale oorlog. Afgelopen zomer kwam ik in Maleisië een man tegen die was vernoemd naar Mohammed Hatta, één van de leiders van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Zijn broer droeg de naam van Sukarno. De mensen, die vochten tegen de Nederlandse onderdrukker, worden in Azië nog steeds als helden gezien. In Nederland wordt één van de moedigste mensen uit de vaderlandse geschiedenis, Poncke Princen, die de kant van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijders koos, nog steeds als een landverrader gezien.
Ik schaam me, en ik vind dat mijn landgenoten zich ook zouden moeten schamen. En dat ze de naam Saih Bin Sakam moeten kennen. Daarom moet 7 mei, Bin Sakams sterfdag, een dag van nationale schaamte worden. Een dag van nationale nederigheid. Een dag waarop alle Nederlanders denken: “Dit nooit weer.”
Teken deze petitie van de Stichting Comité Nederlandse Ereschulden waarin de weduwen en overlevenden van Rawagede excuus en erkenning van de Nederlandse regering vragen.





RSS