Een piemel als een kleine flespompoen
Peter Breedveld

Illustratie: Tomoe Gozen door Ishikawa Toyonobu.
Eén ding heb ik besloten toen ik op het Rotterdamse Camera Japan Festival weer naar een twee uur durende, slome, lelijke film over doelloze, depressieve jongeren zat te kijken: Hier ben ik wel klaar mee. Een hatelijke zeikerd wordt niet opeens interessant als je vanuit kikvorsperspectief zijn schaduw op de deur filmt, waar hij met zijn vriendin aan de andere kant van die deur nadrukkelijk niet zit te communiceren. Long Night was dat, volgens kenners een indrukwekkend debuut, iemands eindexamenproject over rouw en verlies. Rouw en verlies om de tijd die ik hieraan heb besteed zul je bedoelen, de bijna fysieke pijn die ik moet hebben lijden terwijl ik dit gedrocht onderging.
De film daarna was al net zo erg. Ranshima Bound, over een dronken loser die een suïcidale vrouw uit een rivier trekt en haar meeneemt naar het sterfbed van zijn moeder, die hij wijsmaakt dat ze zijn vrouw is. Anderhalf uur lang gezwijg en gestaar, onderbroken door gratuite scènes die lijken te zijn geïmproviseerd. “Maar regisseur, wat staat er in het script?” – “Ah, joh, doe maar wat. Ga maar gek dansen, opeens.”
Overtuigende creep
Gelukkig kwam er verlossing in de vorm van SAI: Disaster, over een seriemoordenaar. Knap opgebouwd, mooi gefilmd, een beetje Kiyoshi Kurosawa-achtig (Kiyoshi, niet Akira, let daarop). Minder geïnteresseerd in plot dan in sfeer, in een gevoel van dreiging. De film is opzettelijk onbevredigend. Vragen worden niet beantwoord, het punt is dat dingen gebeuren, zoals een aardbeving of een tsunami gebeurt.
Goede acteurs, Teruyuki Kagawa speelt de seriemoordenaar. Kagawa is de overtuigendste creep in de Japanse cinema van dit moment, mogelijk omdat hij echt een creep ís. De film is gecoregisseerd door Kentaro Hirase, die ook meeschreef aan het script van de film Exit 8.
Exit 8, dat was tot nu toe mijn favoriete film van het jaar. Minimalistisch en diep-filosofisch, maar vermakelijk, onderhoudend. Biologerend van begin tot eind. Ik zag ‘m op het Internationale Filmfestival in Rotterdam. Een goed begin van het jaar, dacht ik toen, maar ik vind het vooralsnog best een lauw filmjaar. De nieuwe She Taught Me Serendipity heb ik nog niet gezien. Christopher Nolans The Odyssey is prachtig om te zien maar deed me weinig, een onderkoelde, bedachtzame film. Ik had eerlijk gezegd meer met de nieuwe Spider-Man-film, die een beetje de sfeer van de comics van eind jaren 70 ademde, mijn favoriete Spider-Man-comic-periode. Spider-Man en The Punisher waren altijd een sterk duo. Dit is topvermaak.
Boeddhistische prenten
Op Camera Japan realiseerde ik me nog iets: Films hoeven niet altijd Kurosawa of Kore-eda te zijn. Het camerawerk hoeft niet altijd spectaculair te zijn, het verhaal moet niet per se levensveranderend zijn, je hoeft niet altijd als een herboren mens die filmzaal uit te komen. Als een film je van begin tot eind heeft geboeid, verdient dat respect. Ik had dat met The Black Ox, een contemplatieve film die bestaat uit tien vignettes, gebaseerd op boeddhistische prenten, over een man en zijn os. Toen de film net was begonnen, vroeg ik me af of ik die misschien per ongeluk op mijn lijst had gezet, maar uiteindelijk heb ik me er zeer mee vermaakt.
Hetzelfde had ik met Ando, over een yakuza-figuur die allerlei operaties aanstuurt vanachter zijn computer en via de telefoon. Ik dacht: “O nee, krijgen we dit de hele film, een pratend hoofd met een koptelefoon op?” Maar het werkte. Mooi camerawerk, een charismatische acteur en gebeurtenissen die je naar het puntje van je stoel bewegen. Lekker kort, met een bevredigende ontknoping.
Samurai Vengeance is een sympathieke, goedgemaakte film. Goede acteurs, mooi camerawerk, mooie decors. Wel zo voorspelbaar als een motie van wantrouwen van Geert Wilders en een onhebbelijkheid van veel Japanse filmmakers is dat een film vaak nog 20 minuten na de bevredigende ontknoping doorgaat om een punt te maken dat mij altijd compleet ontgaat. Jammer.
Scholierenvete
Dat is ook het geval met The Girl at the End of the Line, een trefzekere anatomie van een vete tussen scholieren, de dynamiek ervan, de manipulaties, de valsheid, maar zonder te oordelen. Er wordt eerder inzichtelijk gemaakt hoe zoiets ontstaat. Er is een zekere romantische spanning tussen de twee vrouwelijke hoofdpersonen, zo zinnelijk delicaat. Maar weer zo’n einde dat maar voortsleept en voortsleept en eigenlijk al het voorgaande verpest. Zo’n serie korte scènes die steeds worden afgesloten met een zwart scherm, dat je denkt: “Nu komt de aftiteling”, en dan is er weer een korte scène en nog één en nog één. Godverdomme!
SUZUKI=BAKUDAN kluistert je aan het scherm en dat komt vooral door de schurk van het verhaal, gespeeld door Jiro Sato, een op het eerste gezicht ongevaarlijke doofus die al snel het bloed onder je nagels vandaan haalt. Wat een acteur. Wel zit de film vol met van die typisch Japanse tropes, zoals een excentrieke, onaangepaste rechercheur met wild haar en op sneakers, een geniale enfant sauvage. De plot-twist is vreselijk geforceerd en onnodig ingewikkeld. Typisch Japans.
Weerwolvenonzin
Ik heb fysiek pijn geleden bij het kijken naar When You Open the Door. Vrouwelijke regisseur, dan voel ik het als mijn plicht om te kijken. Maar het gegeven van een jonge vrouw die in een weerwolf verandert is al zo uitgekauwd en in deze veel te lange, gekke film wordt geen cliché geschuwd. Tot overmaat van ramp zat er ook nog een gozer in de zaal heel nadrukkelijk te lachen om vrijwel alles. Traumatisch gewoon.
Ik zal niet elke film apart behandelen, er zat veel middelmatigs bij. Eén van mijn favoriete regisseurs, Tatsushi Omori, heeft met Hokusai’s Daughter een bleke, bloedeloze, schokkend saaie film afgeleverd die door The Japan Times als één van zijn meesterwerken wordt beschouwd. Ik ben na iets meer dan een uur in slaap gevallen.
Lachen om een politieke moord
De knaller van het festival is voor mij A Unique Country in Asia, een sardonische film over een vrouw die zonder medeweten van haar echtgenoot mannen in huis ontvangt om de rekeningen te kunnen betalen. Ze kan het niet laten om steeds over Shinzo Abe te beginnen, de premier, een neoliberale havik, die een paar jaar geleden werd doodgeschoten, waar ze eigenlijk best blij om is, zegt ze, en haar seksuele opwinding is evenredig aan de weerzin van haar cliënten jegens Abe. Als één van hen bekent dat hij Abe best een toffe peer vond, zet ze ‘m meteen de deur uit.
Wat ik allemaal grappig vind, de energie van de film, de toon, het sarcasme, de expliciete seks, het taboe van het lachen om een bekende figuur die gewelddadig aan zijn einde is gekomen, deden me aan de Roemeense regisseur Radu Jude denken, die kan ook zo lekker provoceren.
Slonzige seksualiteit
Maar wat me echt als een blok voor A Unique Country in Asia deed vallen, is hoofdrolspeler Ami Chong. Ze heeft een apart, expressief gezicht waar ze de sterren van de hemel mee acteert, de manier waarop haar ogen draaien, ironische ogen, de 1001 uitdrukkingen. Waarom heb ik haar nooit eerder gezien. Een lijf als een vruchtbaarheidsgodin ook, met van die brede heupen, haar slonzige seksualiteit. Alles aan haar provoceert op de één of andere manier. ik kon mijn ogen er niet vanaf houden. Nou ja, ze was ook vol in beeld, de hele tijd, behalve in de scène waarin een van haar cliënten, haar favoriet, frontaal naakt in beeld is met zijn vadsige lijf en zijn aandoenlijke piemel, een flespompoentje met zo’n tuitje. Echt absoluut ongehoord in Japan.
Het festival gaat nog door in Amsterdam, waar ik nog één film ga kijken, All The Lovers in The Night, waarvan ik het boek een paar jaar geleden heb gelezen.





RSS