Frontaal
Naakt
14 augustus 2026

Een rechte lijn naar Santiago

Peter Breedveld

“Hebben jullie de Camino gedaan”?, vroeg de Compostellaanse sterrenchef van Casa Marcelo terwijl hij ons één van zijn exquise gerechten voorzette. “Nee, antwoordde ik, en toen schalks: “El Camino del cielo“, de weg van de lucht. We waren met het vliegtuig gekomen. Eigenlijk verdienden we het niet om in Santiago de Compostella te zijn.

Dat zit zo: Ik neem naar Spanje altijd twee boeken mee: ‘Spanje‘ van Rik Zaal en ‘De Omweg Naar Santiago‘ van Cees Nooteboom. Door hen heb ik al heel wat bijzondere dingen in Spanje gezien, dat ik in de afgelopen decennia bijna helemaal heb bereisd. Ik wilde natuurlijk altijd naar Santiago de Compostella, het eindpunt van een christelijke bedevaart die in de afgelopen eeuwen door zoveel miljoenen mensen wandelend is afgelegd, maar heb dat altijd uitgesteld omdat het in Galicië ligt, waar het heel vaak regent en koud is. En omdat ik zelf uit een nat en kil land kom, zou ik mijn vakantie als mislukt beschouwen als ik ook die onder een loodgrijze lucht en in de regen moet doorbrengen. Bovendien was er altijd wat anders in Spanje dat ik wilde zien, dus het er is nooit van gekomen.

Gebraad

Nooteboom heeft dat ook, altijd een zijstraatje, een bijzondere kerk ergens, een dorp dat hem van de weg naar Santiago afbracht, maar, schrijft hij, het kwam er ook maar niet van omdat hij vond dat hij het niet verdiende om in Santiago te zijn. Althans, hij had er nooit over geschreven, schrijft hij in ‘De Omweg Naar Santiago‘, en dus was hij er niet echt geweest, al was hij er meerdere keren geweest. In zijn boek bezoekt hij vele steden, en pas helemaal aan het eind Santiago, waar hij dan vanaf een heuvel op kijkt, ‘maar het zijn mijn ogen niet die kijken, het zijn die van de anderen, vroegeren. Het is hun blik, hun vergezicht dat met lopen verdiend is, met gevaren, met geloof, zij hadden hun leven gewaagd en alles opgegeven om één keer in de buurt van de heilige te zijn….’ enzovoort.

Ik hou van dit boek, echt, maar Nooteboom is een bombastische aansteller. Ik zit het altijd grinnikend te lezen, hoe in Spanje ‘de klok stukjes afzaagt van de tijd’ en een herbergier ‘gebraad’ brengt en wijn in stenen kruiken, (waarschijnlijk gewoon stoofvlees met een kannetje wijn in een eenvoudig restaurant) want hij verbeeldt zich in een Spanje te zijn dat al eeuwen niet meer bestaat. Maar het is makkelijk om je in de stenen straten, als er net in een kerk vermanend op je is neergekeken door een heilige van steen of olieverf, te verbeelden dat je nog in dat Spanje bent. Totdat je door een automobilist van je sokken wordt getoeterd.

Moren verjagen

Wij zijn niet komen lopen, wij zijn uit de lucht in de stad gedropt en hebben ons per Uber naar ons hotel laten rijden, in een winkelstraat vlakbij het historische centrum. We waren net in Napels geweest, die vieze, chaotische stad waar ik helemaal in opging en ik vond Santiago bijna steriel, zo schoon zijn de straten er, en afstandelijk. Het staat er barstensvol fantastisch mooie, historische gebouwen, maar het deed me niks, ik vond het een soort Brugge. Mooi, maar een soort kijkdoos.

Pronkstuk is natuurlijk de kathedraal, een imposant meesterwerk op een imposant plein, omringd door historische gebouwen, Van binnen viel de kathedraal me tegen. Dat kwam mede door de massa toeristen, maar ik vond met name het hart van de kathedraal, de Capilla Mayor, grotesk in zijn barokke lelijkheid, met reusachtige gouden engelen met uitgerekte lijven, paarden, een reusachtig beeld van de Heilige Jacobus, het lijkt wel een draaimolen uit de 19e eeuw.

Achter die Capilla ligt in een crypte een zilveren kist met daarin – naar verluidt – de overblijfselen van de apostel Jacobus, die na Jezus’ dood naar Spanje was gereisd, daar is overleden en begraven en na zijn dood nog de Moren heeft helpen verjagen. Je moet je aansluiten in een rij, loopt een kelder in langs een nis waar, op een meter of drie van je vandaan, achter tralies die kist ligt. Dan moet je weer een trap op, loopt achter dat reusachtige beeld van Jacobus langs, waar je zo de kathedraal kunt inkijken, en onderwijl schreeuwen toezichthouders dat je geen foto’s mag maken, wat veel toeristen dan toch proberen te doen, maar not a chance.

Mooiste kunstwerk ever

Ik vond het underwhelming, die kathedraal. Maar dat komt doordat ze toegankelijk is vanaf een zij-ingang, niet door de hoofdingang. Voor de hoofdingang moet je betalen, want daar staat de beroemde Pórtico de la Gloria. En dát is één van de mooiste kunstwerken die ik ooit heb gezien. Het is in de twaalfde eeuw gemaakt door Meester Mateo en bestaat uit een aantal zuilen met reliefs en beelden, met als middelpunt de Boom van Jesse, de stamboom van Jezus, die van Koning David afstamt en zo verder. Het is van een overdonderende pracht, de bijbelverhalen die hier met zoveel expressie zijn verbeeld – Rik Zaal noemt het een stripverhaal maar dat vind ik eigenlijk best wel stom – en ik heb me er een poos aan staan vergapen. Eerst was ik verontwaardigd dat je apart moest betalen voor die hoofdingang – dat heb ik nog nooit ergens meegemaakt -, maar ik begrijp het nu wel. Als je alle bezoekers van de kathedraal door die hoofdingang laat binnenkomen, is de boel altijd verstopt.

Helaas mocht je ook hier geen foto’s maken, wat ik erg jammer vind. Maar met je kaartje voor de Pórtico kun je ook het museum van de kathedraal bezoeken en daar vond ik vooral de andere werken van Mateo erg mooi. Daar heb ik wel foto’s gemaakt, totdat ook daar een onvriendelijke bewaker me toeblafte dat dat niet mocht, wat nergens was aangegeven. Ik vind het ook onzin, trouwens. Waarom zou je met je telefoon, zonder flits, niet een paar kiekjes mogen maken om thuis na te genieten?

Blije christenen

Op het plein voor de kathedraal hoorden we een aanzwellend geschreeuw uit een belendende straat, waaruit een lange stoet jonge mensen kwam rennen, allemaal in dezelfde outfit, die zich op het plein op de grond lieten vallen. Ze stonden weer op, omhelsden elkaar, vormden samen een dansende kluwen en bleven maar schreeuwen. Toen we het plein hadden verlaten, hoorden we nog hun stemmen weergalmen, zoals de Germaanse krijgers aan het begin van de film Gladiator. Tamelijk intimiderend en ik kreeg er een wat ongemakkelijk gevoel bij.

Tijdens ons verblijf in Santiago kwamen we ze natuurlijk vaak tegen, de pelgrims. Liederen zingend, scanderend, een gelukzalige grijns op hun gezicht. Ik gun ze die bevrediging van harte, maar ik heb geleerd om op mijn hoede te zijn als christenen het naar hun zin hebben.

Maar wat zeur ik nou eigenlijk? Schone straten, pelgrims die geen vlieg kwaad doen en vrede op aarde, al viel het me wel op dat de politie erg vaak met gillende sirenes op pad is. We hebben nog vriendschap gesloten met een Senegalese verkoper van armbanden die ook Nederlands sprak (ik wees naar Hassnae en zei dat zij ook uit Afrika kwam) en ons een gratis armband gaf omdat hij oordeelde dat we goedhartige mensen waren (we hebben hem natuurlijk wel geld opgedrongen). Het eten was steeds heel smakelijk en uiteindelijk, na twee dagen, was mijn hart ontdooid voor Santiago. Het is gewoon een hele mooie, hele leuke stad. Op sommige plekken heb ik gewoon wat tijd nodig om de juiste vibe te vinden en ik kan er niks te doen, maar als er ergens veel christenen zijn, van die nadrukkelijk belijdende, blije christenen, krijg ik altijd een raar gevoel. In Seoul had ik dat ook.

De mensen in Santiago zijn hartelijk, misschien wat ingetogener dan in de rest van Spanje. We hebben overal vreselijk lekker gegetenWat me opviel waren de vele steunbetuigingen aan de Palestijnen, overal. Recht tegenover de kathedraal staat het Pazo de Raxoi, een 18e-eeuws gebouw dat nu als stadhuis dient, en waar we een dag lang een enorme Palestijnse vlag aan de gevel zagen hangen. Ook elders hangen banners en vlaggen met pro-Plestijnse leuzen. Wat een verademing, om in een land te zijn waar je gewoon openlijk tegen een genocide kunt zijn.

Nieuwsbrief