Frontaal
Naakt
17 juli 2012

Life in Tokyo

Peter Breedveld

Gisteravond laat liepen we door de sjieke Tokyose winkelwijk Ginza, toen uit een donker portiek opeens een kromgebogen besje tevoorschijn kwam. We schrokken ons een hoedje, ik dacht met een onibaba van doen te hebben, een mensenetende demon die het uiterlijk van een lief oud vrouwtje aanneemt, maar het was een stokoude dakloze.

We kwamen net van een veel te duur restaurant, waar we veel teveel geld hadden uitgegeven, voelden ons beschaamd en gaven het vrouwtje wat geld om ons schuldgevoel af te kopen. Ze bleef ons diep buigend bedanken, terwijl we verder liepen, op weg naar ons luxe hotel.

Even verderop werd er aan de weg gewerkt. Er werd een gat gegraven, de boel was afgezet met hekken en daar stonden mannen in gele vesten met flikkerlichten erop met lichtgevende stokken te zwaaien, opdat geen automobilist per ongeluk op de fel verlichte plek zou inrijden. Ook het trottoir naast het gat werd bewaakt door twee van die mannen, eentje vooraan en een achteraan, die passerende voetgangers helemaal langs het gat leidden, waar dus al een hek omheen stond.

En dat vind ik nou typisch Japan. Iedereen wordt er als een kind behandeld, geen stap kun je er zetten zonder uitgebreid aanwijzingen te krijgen. Om te voorkomen dat mensen de straat oversteken op plekken die daar niet speciaal voor zijn ingericht, staan er hekken tussen het trottoir en het autorijgedeelte. Overal, in elke winkel, op elke straathoek, staan oude mannen in lichtblauwe uniformen de burger te behoeden voor misstappen.

Maar zo’n oud vrouwtje mag in een portiek slapen. Zonder eten.

Maar hé, tegen de tijd dat we in ons hotel aankwamen, was ik het besje alweer vergeten. Plakkend van het zweet heb ik al mijn kleren uitgetrokken, nam ik een regendouche en liet ik het bad vollopen, terwijl Hassnae een pot groene thee voor me maakte. ‘Life can be cruel, life in Tokyo‘, zingt David Sylvian, maar ik zou het niet weten. Mij ontbreekt het hier aan niets.

Nou moet ik daar ook weer mee oppassen, want ik las tot mijn schrik dat ik zo goed als failliet ben en dat is niet leuk om te horen, als je net de minibar van het Conrad in Tokyo hebt leeggeplunderd, en de dagen vretend in sterrenrestaurants en buitenissige souvenirs kopend doorbrengt.

In Tokyo dus, dat aanzienlijk duurder is geworden sinds de laatste keer dat we er waren. Toen moesten we duizend yen door 160 delen om de prijs in euro’s te berekenen, nu door honderd. Alles is dus meer dan anderhalf keer duurder en aan wie hebben we dat te danken? Juist ja, aan de bankiers, die vieze vuile psychopathische en onverzadigbare subsidiesponzen, die ons in een crisis hebben gestort.

Maar goed. We hebben onze Tokyose vakantie ingeluid met een etentje in het restaurant Hantei, gevestigd in een antiek, houten gebouw dat als één van de weinige gebouwen de grote aardbeving van 1922 en de Amerikaanse bombardementen heeft overleefd. Je eet er, gezeten op tatamimatten, gefrituurde hapjes van een stokje, maar daar heb ik hier al over geschreven. Daar staat ook een impressie van ons fantastische hotel.

De volgende dag hebben we gewinkeld in Ginza, onder andere in de grote warenhuizen, die ongekend zijn. Vooral de delicattessenafdeling in de kelderverdiepingen zijn spec-ta-cu-lair. Hassnae heeft ontzettend foute schoenen gekocht en een dodelijk sexy jurk. Ik heb mijn zinnen gezet op een pak in de winkel van Jean-Paul Gaultier.

Het was een feestdag in Japan, Umi no Hi, ‘Oceaan-dag’. Ik had er eerlijk gezegd nog nooit van gehoord. Op feestdagen wordt de belangrijkste weg in Ginza altijd afgesloten voor verkeer, wat een surrealistische sfeer geeft, met mensen die midden op de brede autoweg lopen, en er zelfs aan terrastafeltjes zitten. Het was een zonnige en smoorhete dag. Wie niet naar het strand was, liep met grote zonnehoeden op, onder parasols. In Ginza zijn de meeste Japanners keurig gekleed, zodat er een lekker ouderwetse, zonnige zondagssfeer heerste.

witbalk

witbalk

We hebben geluncht in Tsukiji Tama-sushi, een sushibar in de kelder van het Ginza Core Building. Ook een oude bekende. Je bestelt er sushi tot je genoeg hebt gehad. Ik bestel in Japan niet de soorten die je ook in Nederland kunt krijgen, zoals zalm en tonijn enzo, maar vissoorten waarvan ik nog nooit heb gehoord. Verrukkelijk. Mijn favoriet is een sushi met tonijntartaar en een klein, rauw ei, ik vermoed een kwartelei, erop. In Japan maak ik me niet druk om salmonella en dat soort toestanden. Japanners zijn zelfs geobsedeerder door hygiëne dan ik, en that’s sayin’ something. De prijs viel mee: nog geen zestig euro met z’n tweeën, en daar zaten de drankjes bij, onder andere een klein flesje excellente saké.

witbalk

witbalk

Veel duurder waren we ’s avonds uit, toen we in Nobu dineerden. Hadden we de vorige keer heerlijk gegeten, voor een faire prijs, maar in het Londense filiaal waren we er vreselijk op de koffie gekomen. Gisteravond was het eten zeker niet slecht – best goed zelfs, maar zeventig euro voor een kreeftsalade, vorige keer onze favoriet, vind ik een beetje aan de hysterische kant. Een tientje voor een glas saké is eveneens nogal overdreven. Volgens mij ben ik de enige niet die dat vindt, want het was aanzienlijk minder druk in het restaurant dan de vorige keer.

De volgende dag, vandaag, hebben we geluncht in het Tokyose driesterrenrestaurant van de Franse topchef Joël Robuchon. Gevestigd in een replica van een Frans kasteel in Ebisu, een nogal burgerlijk buurtje waar de Japanse versie van de Libelle-vrouw zich loopt te vervelen. Prachtige ambiance, met muren badend in geel licht en zwarte, in plaats van witte, tafellakens. Robuchon kan een lekker potje koken en voor dit Japanse restaurant heeft hij de Franse keuken verrijkt met een paar interessante Japanse en Aziatische accenten. Denk aan dorade met een erg lekkere saus van citroengras en coquilles met een Japans gekruide bouillon.

Subtiel, lekker eten, het klopt allemaal, maar ik snap die drie sterren eerlijk gezegd niet. Ook al omdat de bediening geen kut verstand heeft van wijn. De wijnkaart was nota bene een afgeragde iPad waarop een lijst met wijnen werd aangeklikt. De maître wees een wijn aan en zei dat die uit de VS kwam, wat ik inderdaad zelf ook kon lezen. En een andere wijn, die kwam uit Australië. Meer wist hij niet te vertellen. Ik koos voor mijn favoriete wijn, Meursault. En nu gaan mensen weer flippen: die kostte 45 euro per glas. Dat is zelfs voor Meurault behoorlijk pittig.

Maar het was een aangename lunch, met een correcte bediening. Een welkome onderbreking van het jachtige toeristenbestaan in de broeierige hitte van Tokyo.

Daarvoor waren we met de metro naar het Edo-Tokyo-museum gereisd, maar dat bleek gesloten. “Gisteren, maandag, was een feestdag”, legde de man achter het loket uit (waarom er een man achter het loket van een gesloten museum zit, is ook mij een raadsel). Maar vandaag is het dinsdag, zeiden we verbaasd, en geen feestdag, toch? “Nee”, zei de man, “maar ziet u, omdat we gisteren dicht waren, zijn we dat vandaag ook.”

Dat klonk volkomen logisch, dus we dropen af. Dat is trouwens ook iets, die feestdagen in Japan. Het land heeft, geloof ik, de meeste vrije dagen ter wereld, wat een beetje in tegenspraak is met de hardnekkige westerse mythe van de zich het schompes werkende Japanner. Zo hard werken Japanners niet. Dat zal iedereen, die er een paar dagen rondloopt, moeten beamen. Je ziet ze vooral zitten en staan achter loketten en toonbanken, bij deuren en onderaan roltrappen (om erop toe te zien dat iedereen op gepaste manier de roltrap afdaalt, I guess). De bediening in ons hotel, hoe correct en vriendelijk ook, behoort tot de inefficiëntste bediening die ik ooit aan het werk zag, waardoor je rustig een halfuur in de rij staat voor het ontbijt, terwijl je overal in de zaal lege tafels ziet.

Als Japanners niet werken, zie je ze vreten en drinken en spelen en kopen. Of manga’s lezen of slapen in de metro. Nergens is zoveel vermaak en in de aanbieding als in Japan, nergens kun je zoveel lekkernijen kopen. Japan is het rijk van de échte Bourgondiërs.

Na Robuchon zijn we naar de wijk Harajuku gegaan. Hier zie je jongeren in alternatieve kleding, van punk tot gothic en lollipop-lolita of hoe dat ook heten mag, maar het is allemaal gelikt en commerciëel, in tegenstelling tot wat je op het eerste gezicht zou denken. Al die gekke kleren en bizarre accessoires (handtasjes in de vorm van kinderboekkonijntjes enzo) kosten een lieve duit, meer dan alternatieve jongeren in Europa te besteden hebben. Desalniettemin is het leuk om er te lopen en er is één winkel, Daiso, waar alles 105 yen kost, een euro en vijf cent. Hier koop je gekke Japanse dingetjes, zoals een paar instant boobs en een zak gedroogde octopusjes, en verder elk mogelijk gebruiksvoorwerp dat je nodig kunt hebben in de keuken, de tuin of je slaapkamer.

Na hier een poos te hebben rondgedwaald, pakten we de trein en de metro (voor vijftien euro reis je met het openbaar vervoer de hele dag door gans Tokyo) naar ons hotel, waar ik me heb laten trakteren op room-service: een bento-box met traditionele Japanse lekkernijen erin (Hassnae had knoedels). En eerlijk gezegd is dat het lekkerste dat ik hier tot nu toe heb gegeten.

Morgen gaan we een Japanse sterrenchef interviewen. Ben alweer vergeten wie, Hassnae heeft dat geregeld. We eten ook bij hem, uiteraard. Life can be cruel, life in Tokyo.

witbalk

witbalk
witbalk
Help Uw Hoofdredacteur de rekeningen in Tokyo betalen! Laat uw waardering voor deze site (en daarmee voor de strijd voor de vrije meningsuiting) blijken met een kleine donatie (of een grote!) via Paypal of met een storting op rekeningnummer 39 34 44 961 (Rabobank Rijswijk) o.v.v. ‘Frontaal Naakt’.




Japan, Peter Breedveld, Reizen
Reageren? Mail de redactie.