Frontaal
Naakt
7 oktober 2011

Zonne-energie

Louis Couperus


Illustratie: Mihály Zichy

Tot nu toe heb ik mij nog niet kunnen onttrekken aan de lichaam en ziel doortrekkende zaligheid van dit klimaat, waaraan men zeker wennen moet om niet al te lui te worden.

Nu is lui-zijn wel eens goed voor een werker-met-het-lichaam of een werkermet-den-geest. Ik heb ook niet de minste wroeging, dat ik na drie weken verblijf alhier nog geen groote excursie heb gemaakt. En alleen deze prachtig gelegen stad, die als op terrassen gebouwd schijnt, waarheen vluchten van Babelsche trappen geleiden, omen doorgetuft heb om telkens van een ander punt hare blankheid tusschen palmen en vijgeboomen aan hare blauwe baai te bewonderen.

De morgens zijn stralend. Om zeven uur gooit men als in Indië – is het dààr niet om zes uur? – zijn vensters en persiennes open en ligt Algiers voor ons uit, gebaad in de eerste roze zonneschijn.

Ik zelve baad en ontbijt met open ramen (3 December). Stoken doen wij niet, hoewel wij een houtvuur zouden kunnen aanleggen. Uit louter chic meent de hôteldirectie tegen den avond wat te moeten stoken, maar dan puft iedereen en worden de radiateurs weêr ten snelste toe gedraaid.

Aren’t we lucky people? zeg ik egoïstisch tegen de Engelschen alhier, die evenals ik uit hunne couranten lezen, dat het vriest in onze Noordelijke vaderlanden en dat de kolen schaarsch zijn. Waarom kunnen onze ingenieurs dan ook niet deze zonnewarmte op de eene of andere wijze emmagazineeren! Enfin, dat zal wel komen in onze eeuw van nooden en uitvindingen.

Dit is het twaalfde deel van de avonturen van Louis Couperus (1863 – 1923) in Noord-Afrika, in 1921 in feuilletonvorm verschenen in de Haagsche Post, later gebundeld als ‘Met Louis Couperus in Afrika’. Lees ook deel 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11.

Louis Couperus