Op, op, ten strijde, Jeruzalem bevrijden!
René Süss

Illustratie: Namio Harukawa
Op, op, ten strijde, Jeruzalem bevrijden! Het ware verhaal van de kruistochten – zo’n suggestieve en vooral nogal naïeve titel geeft men een jongensboek mee, niet een serieus te nemen historische studie. Dat is het boek van Arabist Hans Jansen dan ook niet, ondanks de (over)vloed aan historische gegevens waar hij zijn lezers mee opzadelt.
Eén voorbeeld volstaat om dit duidelijk te maken. Hij noemt de pogroms, die kruisvaarders vooral tijdens de eerste kruistocht van 1096 in de Joodse gemeenten langs de Rijn en de Moezel en daarna in geheel Europa aanrichtten, ‘nevenactiviteiten van een groep kruisvaarders’, een ‘side show‘. Dat waren ze geenszins. Die pogroms vloeiden direct voort uit het hart van de opdracht die de kruisvaarders werd meegegeven.
Vijanden van God
We volgen om te beginnen de tekst van het standaardwerk van Léon Poliakov, Geschichte des Antisemitismus, deel l, een werk dat Jansen wel noemt maar waaruit hij weinig of niets lijkt te hebben opgestoken.
Op 27 november 1095 riep paus Urbanus ll op het concilie van Clemont-Ferrand de gelovigen op om op kruistocht te gaan. Het is tijd om wraak te nemen en om alle ongelovigen en heretici, waar ze zich ook bevinden, als vijanden van God te tuchtigen.
Het luidde voor de Joden van Europa een periode van verhevigde anti-Joodse agitatie en pogroms in. Precies in die periode kwamen het bloedsprookje en de beschuldigingen van hostieschendingen in een stroomversnelling terecht en begonnen aan populariteit te winnen.
Zeker, degenen die het initiatief namen voor de massaslachtingen onder de Joden waren primair niet de geordende legers van de adel maar ongeordende bendes uit het volk, die vóór die legers uitliepen, een situatie vergelijkbaar met de ‘Einsatzgruppen‘, die in WO ll voor de Wehmacht ruim baan maakten, die vervolgens de klus afmaakte.
Doop of dood
Wat Frankrijk betreft, zijn er betrouwbare berichten over massaslachtingen onder Joden ondermeer in Rouaan en Metz. Jansen horen we er echter niet over, ook niet als hij enkele toeristische tips voor een itinerarium aan het slot van zijn boek geeft. Verder beschikken we over informatie in kronieken over slachtingen in heel Galicië. Het motto was doop of dood en de ratio er achter was: waarom zouden we in ons vaderland de Joden, de vijanden van Christus, ongemoeid laten en pas optreden als we in het heilige land, in Jeruzalem zijn?
In een dringende, ontroerende brief waarschuwden de Franse Joodse gemeenten hun broeders in Duitsland voor het dreigende gevaar.
Onder omstandigheden kon men aan een wisse dood ontkomen door vorstelijke betalingen aan hooggeplaatsten en aan de leiders van de benden zoals Petrus van Amiens. Anderen waren minder ‘gevoelig’ en eigenden zich de bezittingen van de Joden ‘gewoon’ wederrechtelijk toe. Aanvankelijk had plundering zelfs voorrang boven moord en doodslag waartoe het echter spoedig kwam.
Te intiem met de Joden
De volgende namen van andere bendeleiders zijn overgeleverd: Willlem de Timmerman, Thomas van Feria en Emicho van Leiningen. Soms nam de plaatselijke geestelijkheid het voor de Joden op, zoals in Speyer, waar een massaslachting gepland voor 3 mei 1096 op het laatste nippertje kon worden voorkomen door het ingrijpen van Johannes, de bisschop van de stad.
Heel anders verliep het in Worms, waar de Joodse kroniekschrijver Salomon-bar-Simeon uitvoerig over bericht. Op 18 en 25 mei vonden achthonderd Joden de dood. Twee dagen later was Mainz aan de beurt waarover een christelijke kroniekschrijver, even verontrust als zijn Joodse collega, melding maakt. We lezen:
‘Nadat Emicho en zijn medebedeleden krijgsraad hadden gehouden, gingen ze bij zonsopgang met lansen en beilen aan de slag en doodden zevenhonderd mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards. Hierna benamen velen zich zelf het leven. Op gelijke wijze ging het in Keulen toe, waar de aartsbisschop vele Joden bij hun vlucht trachtte te helpen.’
Het kwam ook voor dat kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, zoals een bisschop van Praag, zich op hun sterfbed het verwijt maakten te intiem met de Joden te zijn omgegaan door hun bescherming te bieden.
Anti-Joodse tractaten
De voorlopig laatste massamoord ten tijde van de eerste kruistocht vond in datzelfde Praag plaats. Het eindresultaat bedroeg ettelijke duizenden doden, overigens een fractie van de slachtoffers die bij massamoorden in de volgende eeuwen vielen.
Het is zeker zo dat vooral de lagere geestelijken, geholpen door de hetze van rondtrekkende, predikende monniken, met hun haattirades tot de faniekste bestrijders van de Joden behoorden. Abt Petrus Venerabilis van Cluny heeft één van de felste anti-Joodse tractaten op zijn naam staan. Daarin hanteert hij het merkwaardige argument dat de Joden die zich niet aan zijn argumentatie gewonnen wilden geven, geen mensen maar dieren moesten zijn die men navenant mocht behandelen.
Hoop op bekering
Bernard van Clairvaux daarentegen wilde zijn medegeestelijken tot het inzicht brengen dat uitroeiing van de Joden de hoop van de kerk op hun bekering teniet zou doen. Niet doen dus. De conclusie van Poliakov luidt:
‘Steeds wanneer in het Middeleeuwse Europa een grote geloofsbeweging op gang komt, wanneer christenen in naam van de goddelijke liefde op pad gaan, laait overal het vuur van de Jodenhaat op. (…) Elke prediking die oproept om ten strijde te trekken tegen de echte of de vermeende vijanden van het christendom wakkerde de haat tegen Joden en andere dissidenten -de Albigenzen!- aan en leidde tot massamoorden, zoals in Engeland in het jaar 1188, in het zuiden van Frankrijk twintig jaar later, en in Spanje.’
Kortom, de eerste kruistocht, waartoe paus Urbanus ll in 1095 opriep die de Joden in het Rijnland en elders noodlottig werd, was de opmaat tot de volgende zeven kruistochten waarvan Joden vooral in Europa maar al te vaak (mede)slachtoffers werden.
Nobele motieven
Terug naar het boek van Jansen. In het verloop van zijn verhaal komen na pagina 30 nauwelijks nog Joden voor. Zijn boek telt 320 pagina’s. Zoals gezegd, ook aan het slot ervan, waar hij zijn toeristische tips -‘Zelf op kruistocht gaan’- geeft, meldt Jansen de Jodenvervolgingen in Rouaan en Metz en nog heftiger die in Lotharingen tijdens de eerste kruistocht niet. Sterker, hij heeft het überhaupt niet meer over Jodenvervolgingen! Nergens vinden we tussen de vele opgenomen routebeschrijvingen de weg aangegeven langs de steden die de kruisvaarders door het Rijnland volgden.
Jansens oogmerk als rechtse, katholieke christen1 is het blazoen van de kerk zo schoon mogelijk te houden ten detrimente van de Islam, waartegen hij in zijn boek een ware ‘kruistocht’ voert. Het is niet zijn eerste! Meer dan een derde deel van zijn boek gaat helemaal niet over de christelijke kruistochten, maar bevat grotendeels anti-islampolemiek.
Natuurlijk, er waren ‘Ausschreitungen‘, Jansen kan en wil het niet ontkennen: ‘Er zijn inderdaad slachtingen aangericht onder de joden die langs de Rijn en de Moezel woonden’, maar… We willen Jansen graag geloven wanneer hij keer op keer duidelijk maakt dat de kruisvaarders primair uit nobele motieven, namelijk uit geloofsoverwegingen (boetedoening) hun tochten ondernamen, maar er trad onderweg nogal wat ‘colatteral damage‘ op om het (al te) vriendelijk te zeggen.
Wetenschappelijke integriteit
Hinderlijk is zijn voortdurende rancuneuze gesneer, steevast naar ‘de vrienden en de vriendinnen van de islam’ en verder naar alle mogelijke zaken en personen die hem niet bevallen. Vooral de ‘linkse kerk en haar ouderlingen’ moet het ontgelden. Die ruimte had hij beter kunnen benutten; bijvoorbeeld om de verschikkelijke gevolgen voor niet-christenen c.q. Joden en dissidente christenen eerlijker en vollediger uit de doeken te doen. Dat hij dit nalaat, onthult de ‘ware’ bedoelingen die hij heeft met zijn ‘ware verhaal van de kruisvaarders’. Met wetenschappelijke integriteit, als Jansen zich daarop zou willen laten voorstaan, heeft het niets te maken.
Tenslotte nog een vraag aan de auteur en zijn uitgever: Waarom werden er achttien (!) prenten van de notoir antisemitische graficus Gustave Doré in het boek opgenomen? Ze dragen nauwelijks iets bij aan het begrip van de kruistochten, zoals trouwens ook blijkt uit enige onderschriften, die Jansen de prenten meegaf.
1. [Welk vlees we met Jansen in de kuip hebben blijkt uit een – geautoriseerd? –interview met Joost Niemöller. Hans Jansen: ‘We zijn helemaal niet van het christendom af. Het enige waar veel mensen vanaf zijn is dat ze geloven dat Jezus de zoon van God was en dat hij is opgestaan uit de doden. Maar die andere christelijke dingen, de onttovering van de natuur, dat je moet proberen de mensen terug te brengen naar een paradijselijke toestand waar ze geen pijntjes meer hebben, dat je zwakken en zieken dient te helpen, het zijn algemeen aanvaarde tegennatuurlijke opvattingen die van joods-christelijke origine zijn.’ Het is alsof men Adolf Hitler hoort: ‘lk zeg altijd, medelijden hebben met de zwakken is verraad tegen de natuur’. Kortom: het sociaal-Darwinistische programma van de survival of the fittest en de daarmee onvermijdelijke samenhangende euthanasieprogramma’s gooien kennelijk hoge ogen bij de Arabist Jansen]↩
René Süss schreef onder andere Luthers Theologisch Testament, zijn proefschrift over het virulente antisemitisme van Maarten Luther. Hij maakte er een paar vijanden mee. Ook schreef hij De Geest Bemint de Buitenkant, over de lichamelijkheid in het jodendom. Zijn meest recente boek gaat weer over Luther en heet Luther, een Sympathieke Potentaat.





RSS