Frontaal
Naakt
1 mei 2026

De waarheid van angry old man Dick Matena

Peter Breedveld

Vanwege zijn verstripping van de oer-Hollandse roman De Avonden wordt Dick Matena (60) door stripliefhebbers bewierookt. Dat is ooit anders geweest. Toen hij het conservatieve stripwereldje vijfentwintig jaar geleden op zijn grondvesten deed schudden met taboedoorbrekend, inktzwart werk als De Prediker en Lazarus Stone, werd hij verguisd en uitgekotst. Dat is de meester nog altijd niet vergeten, al heeft zijn huidige succes hem iets milder gemaakt, zegt hij.

Dick Matena is de laatste tientallen jaren niet zoveel veranderd. Hij heeft nog hetzelfde vosachtige uiterlijk. Zijn manen zijn wat grijzer, zijn gezicht is gegroefd. Hij draagt nog de strakke spijkerbroek en de cowboylaarzen en hij bekijkt de wereld nog steeds door de iets samengeknepen ogen. Een eenzame wolf die constant op zijn hoede is. Hij heeft nog steeds de felheid die hem de reputatie heeft opgeleverd een moeilijk mens te zijn.

De tekenaar oogt vermoeid en dat is geen wonder. Sinds hij twee jaar geleden aan de verstripping van Gerard Reve’s De Avonden begon, is hij voortdurend in een moordend tempo aan het werk om de deadlines te halen van Het Parool, die de strip in wekelijkse afleveringen voorpubliceert. ‘Het is een fysieke krachttoer’, zegt hij. ‘Het zijn tropenjaren. Ik denk dat ik aan De Avonden een paar jaar van mijn leven opoffer want het is echt slopend. Ik moet nog honderd, honderdtwintig pagina’s en dat ga je voelen. Maar goed, het moet af. Ik ben een man met een missie. De kwaliteit moet gehandhaafd blijven, alleen al voor al die mensen van wie ik voortdurend commentaar krijg. Die wil ik voor geen geld teleurstellen.’ Zijn gezin maakt zich zorgen omdat hij lange dagen maakt en weinig slaapt. ‘Maar het lukt nog steeds de deadlines te halen’, zegt hij triomfantelijk. ‘En mijn gezin is wel wat gewend.’

Vechten geblazen

Het is een bewijs voor Matena’s vakmanschap dat elke nieuwe pagina desondanks nog steeds voldoet aan zijn eigen hoge standaards. Ook al omdat er, sinds hij aan het project begon, geen week is geweest dat er niet ergens publiciteit aan zijn De Avonden werd gegeven. ‘Straks begint in april de tentoonstelling in de Vleeshal in Haarlem, dan krijg je díe tamtam ook weer en zo zal het wel tot aan het einde van de rit gaan’, vermoedt hij. ‘Een beetje vermoeiend wordt dat wel want het haalt je uit je concentratie en die heb ik juist hard nodig. Iedere keer is het moeilijk weer terug in mijn werkritme te komen.’

Dat Matena vorig jaar voor De Avonden de Bronzen Adhemar kreeg, de belangrijkste stripprijs van Vlaanderen, was voor veel Vlamingen moeilijk te pruimen. Een storm van anti-Nederlandse en ‘eigen volk eerst’-sentimenten stak op in het Vlaamse stripwereldje. De jury had gekozen voor een ‘bastaardje’, schreef journalist Michel Kempeneers van de Vlaamse krant De Standaard. Er zijn betere, Vlaamse kandidaten voorhanden, zei Kempeneers’ collega Gert Meesters van het blad Knack.

Matena haalt er zijn schouders over op. Hij is wel wat gewend. ‘Toen ik in 1986 de Nederlandse Stripschapprijs kreeg hebben mensen hun lidmaatschap van Het Stripschap opgezegd. Waar ik ook kom lok ik controverse uit, dat zit kennelijk in mijn karakter. Als ik vroeger ergens een café binnenkwam en ik keek verkeerd, was het onmiddellijk vechten geblazen. Waarom weet ik niet, maar sommige mensen hebben dat blijkbaar.’

Toen hij hoorde dat hij de Adhemar zou krijgen heeft hij de voorzitter van de jury, journalist Patrick van Gompel, wel gewaarschuwd dat dit wel eens enige deining in de Vlaamse stripwereld zou kunnen veroorzaken. ‘België is heel conservatief in z’n stripgebeuren. Aan de ene kant vind ik dat prachtig, het is één van de weinige landen waar de wortels van de strip nog duidelijk aanwezig zijn. Maar er wordt heel weinig geëxperimenteerd. Daar houden ze hier niet zo van.’

De Avonden is te Hollands om in het buitenland aan te slaan, menen sommige Vlaamse critici. Daar lijkt dan tenminste de grote Franse uitgever Hachette geen boodschap aan te hebben, want die gaat de stripbewerking volgend voorjaar in het Frans uitgeven. ‘Voor de vertaling wilden ze een oude vertaling van de originele roman gebruiken, maar die is zo beroerd, dat er een nieuwe vertaling voor moet worden gemaakt’, vertelt Matena. Voor de rest is het zo goed als rond. ‘Volgend voorjaar zou het moeten verschijnen en dan integraal, dus alle 341 pagina’s bij elkaar.’

Matena beaamt dat De Avonden, net als Carmiggelt, Tom Poes en Godfried Bomans een oer-Hollands fenomeen is. ‘De jaren veertig en vijftig zagen er in België heel anders uit dan in Nederland, er was gewoon een andere cultuur. Dus ik kan me voorstellen dat De Avonden heel exotisch is voor een Vlaming of een Waal of een Fransman. Alleen al de benauwdheid die je proeft in het boek, die kleine huiskamertjes, die gekke stalen herenfietsen, dat had je in België niet. Eén van mijn allereerste herinneringen is dat ik in België was met mijn ouders. Iedereen reed op van die lichte sportfietsjes, ook hele oude mannen. Dat was voor mij heel exotisch. Kortom, ik kan me voorstellen dat een Belg in De Avonden niks herkent. Maar wat de sféér betreft, sfeer is op zich heel universeel. Al ken je de cultuur niet, door sfeer kan je worden geraakt. Dat voel je, net als muziek. Sfeer is ook het enige element dat je niet bewust in een stripverhaal kan brengen. Je kunt alleen maar God op je blote knieën smeken als het klopt. En ik krijg af en toe best kritiek op mijn bewerking van De Avonden, maar over de sfeertekening heb ik van niemand ook maar één woord van kritiek gekregen. Dat schijn ik dan goed te doen, maar dat is absoluut een kwestie van intuïtie.’

Ei van Columbus

Hij liep al twintig jaar met het idee De avonden te verstrippen, alleen wist hij heel lang niet hoe hij dat aan moest pakken. Hakken in de tekst van Reve wilde hij namelijk niet. ‘Ik wilde het doen met de integrale tekst of helemaal niet. Maar aangezien niemand zoiets ooit eerder had gedaan, had ik geen voorbeelden. Ik moest zelf op zoek naar manieren, maar ik kwam er maar niet uit.’

Toen werd Matena benaderd door zijn oude leermeester Marten Toonder, die hem vroeg weer aan de slag te gaan met Tom Poes. Het was de bedoeling oude Bommel-verhalen – dus die met de tekst onder de plaatjes – te bewerken tot ballonstrips. Maar ook hier weigerde Matena in de oorspronkelijke tekst te gaan snijden. Die oorspronkelijke tekst hoort bij Bommel, besloot hij. Die verwerkte hij integraal in de strip, door tekstkaders en tekstballonnen met elkaar af te wisselen. Als er in het originele verhaal bij voorbeeld stond: ‘Ziezo, zei hij, ik ga naar buiten’, zette Matena in zijn bewerking het eerste deel van die zin: ‘Ziezo, zei hij’ in een tekstkader bovenin het plaatje en de rest: ‘ik ga naar buiten’ in een tekstballon daaronder.

Het was het Ei van Columbus, vertelt Matena. ‘Ik had niet eens in de gaten wat ik aan het doen was, maar ik dacht: ‘Verrek, als ik dat bij De Avonden eens toepas, dan is dat misschien de truc’. Het klinkt heel simpel maar geloof me, ik heb er twintig jaar over gedacht. Ik heb ook nog geprobeerd om zinnen als ‘Ik ga naar huis, zei hij’ in een ballon te beginnen en dan te eindigen in een kader daaronder, dus dan had ik in een ballon gezet: ‘Ik ga naar huis’ en daaronder, in een kader: ‘zei hij’. Maar dat werkte niet, dat had een lullig effect. Zulke zinnen heb ik geheel in tekstblokken gezet. En zo ben ik dat gaan doen.’


Bron: Bunt Blogt

De tekst van De Avonden is hem heilig, benadrukt Matena. ‘Daar staat geen woord teveel in, en geen woord te weinig. Het is niet de móóiste tekst die Reve ooit geschreven heeft. Hij was toen nog niet de grote stilist die hij later, in de jaren zestig, geworden is. Soms is de tekst hakketakkerig, vreemd en hortend. Maar er zit een dwingendheid in die je naar de strot grijpt. Ik ben er van overtuigd dat je dat kapotmaakt als je er dingen uit gaat halen. Je moet er van afblijven.’

Je kunt betwisten dat Matena van de tekst is afgebleven. Hij laat haar weliswaar intact, maar zet er wel zijn eigen interpretatie pal onder. ‘Je kunt hoogstens zeggen dat ik andere lezers van De Avonden, die hun eigen beelden in hun hoofd hebben, op die manier iets afneem’, werpt de tekenaar tegen. ‘En als die mensen zeggen: ‘Potverdomme, het is míjn boek, die gozer moet er met z’n fikken van afblijven’, dan heb ik daar absoluut geen weerwoord op. Dan hebben ze gelijk want je komt bijna aan de privé-gedachten van die mensen. Maar oké, kijk er dan in godsnaam niet naar. Leg het weg.’

Het tegenovergestelde gebeurt echter ook: ‘Ik heb één keer iemand meegemaakt, ook een bewonderaar van Reve, die door wat hij over me gelezen had, zo nieuwsgierig was geworden dat hij toch mijn versie is gaan lezen. Die zei: ‘Ik vond het prachtig, je hebt me helemaal overtuigd. Het was mijn boek, maar dat is nu voorbij. Nu draag ik jouw beeld ervan.’ Dat was het grootste compliment dat ik ooit gekregen heb.’

De enorme belangstelling voor Matena’s De Avonden heeft natuurlijk ook een keerzijde, want daarmee dienen ook de scherpslijpers zich aan, de Reve-adepten die de tekenaar voortdurend op zijn vingers kijken, hopend hem te betrappen op een fout. ‘Die eisen dat alles volstrekt klopt, tot aan de asbakjes toe. Kom nou! Als ik het nodig vind om de gordijnen in de kamer aan de andere kant te hangen en ik zet de kolenkit ergens waar die niet stond, dan doe ik dat. Reve zet zijn lezers vanaf de eerste zin van De Avonden immers ook op het verkeerde been. Ik ben op de plekken geweest die hij in het boek beschrijft: Israelskade 66, nummer 116, de Bijenkorf, sociëteit De Kring, daar klopt allemaal niks van! Dus verteken ik zelf ook alles, deze bewerking is mijn waarheid. Je hebt Reves waarheid en dit is de mijne.’

Persoonlijk beledigd

De stripwereld brengt het slechtste in Matena naar boven, zegt hij. Met de stripwereld bedoelt hij niet zijn collega’s, maar de uitgevers, de critici en de ‘bobo’s’: ‘de deskundologen’ die het stripwereldje bevolken. ‘Toen ik begin jaren zestig voor de Toonderstudio’s begon te werken wist bijna niemand wat een striptekenaar eigenlijk was. Maar in 1968 begonnen strips salonfähig te worden en toen kwamen er opeens allemaal mensen aan mij vertellen hoe strips in elkaar zaten. Die gingen verenigingen oprichten en banden om de mouwen dragen om te laten zien dat er één opperhoofd was en de ander staatssecretaris en weet ik het. Daar heb ik altijd een pokkenhekel aan gehad. En dan had je ook nog de handelaars in tweedehands strips, even slecht als handelaars in tweedehands auto’s. Ze beginnen als hobbyisten en eindigen dan als geldwolven die maar één sport kennen en dat is de mensen besodemieteren. Iets goedkoop in handen krijgen en dat voor veel meer geld doorverkopen, weerzinwekkend.’

Matena’s verhouding met de bobo’s werd er niet beter op toen zijn werk eind jaren zeventig een storm van verontwaardiging losmaakte. De auteur zou immoreel zijn en zich schuldig maken aan kinderporno. ‘Dat mensen mijn werk niet begrijpen of ontoegankelijk vinden, dat vind ik tot daar aan toe’, zegt Matena. ‘Maar soms had ik de indruk dat ze bijna tot lijfelijk geweld wilden overgaan, alsof ik ze persoonlijk had beledigd.’

Nu was Matena’s werk in die tijd ook behoorlijk compromisloos. In werken als De Prediker en Lazarus Stone schetste hij een kale, verdorven wereld, alsof hij hoogstpersoonlijk een einde wilde maken aan het dromerige idealisme van de voorgaande twee decennia. ‘De Markies de Sade van Neêrlands strip’ noemde Theo van Gogh hem (wat overigens als compliment was bedoeld).

‘Het is natuurlijk waar dat ik nogal wat taboes doorbrak’, geeft Matena toe. ‘Maar het was een hele andere tijd, dat moet je je goed realiseren. De jaren zeventig waren krankzinnig, zeker op het gebied van seks en porno. Bij de sigarenwinkel kon je gewoon kinderporno kopen, samen met je pakje sigaretten. Dat verbijsterde me, maar het boeide me eerlijk gezegd ook wel en dingen die mij boeien heb ik altijd in mijn werk willen stoppen. Voor mij was dat een soort demonen uitjagen. Het was riskant, want ik liet duistere kanten van mezelf zien, kanten die je normaal voor je buurman weghoudt. Dat deden er wel meer in die tijd, maar kennelijk niet zo expliciet als ik. Ik deed dat met een zekere argeloosheid, maar ook wel uit een soort van dwingende noodzaak. Kennelijk moesten die verhalen gemaakt worden, zoals een schrijver de boeken schrijft die geschreven moeten worden, een musicus de muziek maakt die hij in zich voelt. Dat werd me door heel weinig mensen in dank afgenomen.’

Matena maakte al Tarantino-verhalen toen Quentin Tarantino nog op de kleuterschool zat, zegt hij. Toen hij gelazer kreeg vanwege het twaalfjarige blote meisje in De Prediker gooide hij zijn kont tegen de krib en besloot de grenzen nòg een eindje te verleggen met Sterreschip. ‘Ik dacht: ‘Godverdomme, krijg allemaal maar de rambam. Als je een twaalfjarig meisje in haar blootje zo erg vindt, dan heb je hier een bloot jòngetje van twaalf jaar!’ Toen wisten ze helemaal niet meer hoe ze het hadden. Uiteindelijk ben ik er mee opgehouden, niet vanwege de controverse, maar gewoon, omdat ik was uitgepraat.’


Lazarus Stone. Bron: Lambiek.net.

Geen Heleen van Rooyen

Hij begrijpt dat hij mensen op het verkeerde been zet en dat ze daar niet van houden, zegt hij. ‘Strip is per definitie een conservatief medium en mijn werk uit die tijd heeft een grote originaliteit, daar blijf ik nog steeds bij. Ik heb er ook veel artistiek aanzien door gekregen. Internationaal ook, daar mag ik ook niet over mopperen. Maar in Nederland heb ik slechte ervaringen. Ik kan er slecht tegen als mensen allerlei oordelen over je gaan vellen omdat ze je niet begrijpen. Daar word ik behoorlijk agressief van. Ik voelde me aangetast in mijn waarde en ik was niet te beroerd om dat te laten merken, mensen op hun bek te slaan of wat dan ook. Nou ja, ook dat zet dan weer kwaad bloed en zo ben je op een gegeven moment een vijandige in een vijandige wereld.’

Matena lijkt nòg kwaad te worden als hij over het verleden praat. Maar hij heeft nu succes, mensen dragen hem op handen. Waarom kan hij niet gewoon boven de bekrompen criticasters staan? ‘Waarom zou ik?’ antwoordt hij als door een wesp gestoken. ‘Het ergste wat mensen mij kunnen aandoen is me niet mijn waarde te laten en dat is wat er is gebeurd met mijn werk als tekenaar en als schrijver. Dat stemt me op een bepaalde manier bitter. Ik ben niet rancuneus, echt niet. Maar dit heeft lang geduurd en het is diep gaan zitten. In 1979 ben ik er als enige in geslaagd mijn werk in Amerika te verkopen, aan het blad Heavy Metal. Dat werd door het Nederlandse stripwereldje volstrekt genegeerd. Zelden ben ik zo afgeknapt als in die periode. Dat is voor mij een traumatische tijd geweest, ik heb daar nog steeds last van. Het gebrek aan waardering, het doodzwijgen, het kleineren. Dat gaat echt niet zo één-twee-drie over. Ook niet met dit succes, want dat relativeer ik wel. Ja kom, ik ben zestig, ik heb in de stripwereld alles al meegemaakt. Ik laat me niet zo gauw meer gek maken.’ Matena’s De Avonden is een succes, maar het is wel een relatief succes, benadrukt hij. ‘Het is geen Heleen van Rooyen. Dertienduizend verkochte exemplaren is mooi, maar niet eens genoeg om uit de kosten te komen. Ik hoop in ieder geval quitte te spelen.’

Een jaar of tien geleden besloot Matena om het voor gezien te houden in de stripwereld. ‘Ik ga niet meer naar stripbeurzen, en ik neem geen prijzen meer in ontvangst. Op de Nederlandse Stripdagen heb ik de prijs voor het beste Nederlandse album gewonnen, maar die heb ik door mijn dochter op laten halen. Kreeg ik weer zo’n penning, daar heb ik er al een paar van. Wat wel mooi is, is dat ik er ook eentje kreeg die ik aan Gerard Reve moest geven. Daar staat achterop: ‘Reve, stripalbum van het jaar’. Dus ik ben er in geslaagd om Reve net voor zijn tachtigste tot de beste stripscenarist van 2003 uit te laten roepen, hahaha!’

Naar de uitreiking van de Adhemar is hij wèl gegaan, omdat hij vindt dat hij Patrick van Gompel, de voorzitter van de Adhemar-jury, iets verschuldigd is. ‘Van Gompel kwam al in 1983 bij me binnenlopen als bewonderaar van juist dàt werk waar veel mensen een bloedhekel aan hadden. Hij schreef daar over, haalde me voor de radio en hij is dat altijd blijven doen. Tegenover zulke mensen ben ik ontzettend loyaal, mensen die me in die tijd gesteund hebben. Daar zijn er niet veel van: Marten Toonder, Martin Lodewijk, Patrick van Gompel en nog een paar. Als die er niet waren geweest, was ik voor de bijl gegaan. Bovendien zit er ook nog een hoop geld aan die prijs vast. Want het is toch een hoop geld, E12.500. En om nou in Turnhout te komen om die cheque op te halen en dan te zeggen: ‘Nou, dag…’ Ik ben gast in dit land (Matena woont al sinds 198x in Vlaanderen. PB), dus dan gedraag ik me iets anders dan wanneer ik in mijn eigen land ben’, zegt hij grinnikend.

Alice in Wonderland

Nu Matena vanwege De Avonden een zekere status geniet in literaire kringen, voelt hij zich als Alice in Wonderland, zegt hij. ‘Het blijft bizar. Ik maak nu kennis met mensen die ik altijd van afstand heb bewonderd, zoals Kees van Kooten, Hafid Bouazza, Allard Schröder. Die snuiven aan mijn werk, praten daarover met mij, bewonderen het soms zelfs. Ik heb nu een hele nieuwe vrienden- en kennissenkring, zó anders dan de stripwereld… een mooie compensatie voor wat ik nog aan woede jegens die stripwereld in me heb. Daar word ik dan weer een klein beetje milder van. Ja, natuurlijk, ik balanceer nog steeds met mijn werk op het slappe koord, ik kan er nog steeds vanaf vallen.’

Hoe ironisch dat ook diezelfde stripwereld, die Matena eerder zo vijandig gezind was, de maestro nu op handen draagt als de man die het medium strip hoogstpersoonlijk de ‘serieuze literatuur’ heeft binnengeloodst. ‘Het kan verkeren’, schampert Matena. ‘Maar dit bewijst natuurlijk wel de armoede van de stripwereld. Het is toch zielig dat een man van zestig het medium strip aanzien moet geven? Dat horen natuurlijk jongens van 25 of 30 te doen.’

Toch wil Matena zich de loftuitingen best laten aanleunen. ‘Martin Lodewijk heeft het aardig geformuleerd. Hij zei dat ik de voordeur naar de literaire wereld heb opengezet en dat is misschien waar. Schrijvers hebben nu gezien dat het mogelijk is op een intelligente, smaakvolle manier literatuur in beeld te zetten, dat een strip niet per definitie pulp is, of Bommel. Daardoor krijgen stripmakers die ook zoiets willen gaan doen straks misschien iets makkelijker een kans om gepubliceerd worden.’

Matena ziet zichzelf niet zozeer als een voorloper, eerder als de afsluiter van een tijdperk: ‘Over twee generaties tekent niemand meer op papier. Ik ben de laatste der Mohikanen die alles nog met de hand doet. Zelf lettertjes intekenen, dat wordt bijna nergens meer gedaan.’ Bovendien was het nooit zijn bedoeling om met De Avonden als vernieuwer de geschiedenis in te gaan. ‘Ik vond het een leuk excuus om eens een keer bij Reve binnen te komen. Dat was nog mijn voornaamste motief. Verder had niet ik eens verwacht dat ik verder zou komen dan vijf pagina’s. Ik wist natuurlijk dat een integrale bewerking een pagina of vier- vijfhonderd dik zou worden en ik ken de stripwereld goed genoeg om te weten dat ik daar – in grijstinten, dat ook nog – in geen honderdduizendmiljoen jaar een uitgever voor zou vinden. Dus toen uitgeverij De Bezige Bij toch geïnteresseerd bleek te zijn, stond mijn wereld helemaal op zijn kop.’

Hoewel hij voorlopig nog bezig is met De Avonden (in juni hoopt hij het werk te hebben voltooid), heeft Matena inmiddels ook een aantal volgende projecten uitgezet. ‘Eerst ga ik A Christmas Carol van Charles Dickens bewerken, dan lezen de mensen ook daarvan weer eens de integrale tekst. De meesten kennen dat verhaal tegenwoordig vooral van de musicals en films’. A Christmas Carol moet voor de komende kerst in de winkels liggen, dus dat wordt aanpoten. Toch zegt de meester dit project vooral als ontspanning te zien.

Na zijn Dickens-verstripping hoopt Matena aan zijn volgende monsterproject te kunnen beginnen: een stripversie van de roman Kort Amerikaans van Jan Wolkers. ‘Als alles goed gaat, want uitgeverij Meulenhoff heeft de rechten van dat boek, die moet haar fiat geven. Maar Wolkers zelf wil in elk geval heel graag.’

Kort Amerikaans is, net als De Avonden, één van Matena’s favoriete boeken. ‘Het is geweldig geschreven en dat taboedoorbrekende, dat iedereen altijd op het conto van Jan Cremer zet, daar was Wolkers al veel eerder mee. Ik las Kort Amerikaans toen ik een jaar of achttien was. Ik was er net zo ondersteboven van als van De Avonden, maar op een andere manier. Het is die combinatie van pulp en literatuur die het hem deed. Wolkers is de Mickey Spillane van de Nederlandse literatuur.’

Voor Kort Amerikaans, dat aanmerkelijk meer actie en seks bevat dan De Avonden, gaat Matena weer in kleur werken. ‘Ik heb pas geleden een boek op de kop getikt met kleurenfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog. Die foto’s hebben bruin-groenige tinten, dat is precies wat ik met Kort Amerikaans voor ogen heb.’ Met Wolkers heeft Matena een wandeling door Leiden gepland, de plaats van handeling in de roman, om zich te documenteren voor het decor. ‘Bij De Avonden kon ik me bepaalde vrijheden veroorloven maar in Kort Amerikaans beschrijft Wolkers alles precies zoals het was.’ Dat Kort Amerikaans ook weer zal worden voorgepubliceerd, acht Matena niet waarschijnlijk. ‘Eerlijk gezegd zit ik ook niet zo erg te wachten op voorpublicatie, want de deadline is moordend.’


Eerste pagina van de onvoltooide verstripping van Ulysses. Bron: Dickmatena.com.

Zijn plannen om James Joyce’ cultroman Ullysses te verstrippen zijn ook nog niet van de baan. ‘Bij De Bezige Bij denken ze dat ik een grapje maak. De erven Joyce schijnen niet makkelijk te zijn. Misschien gaan ze akkoord als ik ze laat zien hoe ik zo’n bewerking aanpak. Zo niet, dan ga ik iets anders doen.’

Dit interview met Dick Matena, die onlangs op 83-jarige leeftijd overleed, deed ik in 2004 voor Stripschrift.

Nieuwsbrief