Waar ons racisme vandaan komt
Roman Akyüz

Illustratie: Mame.
De racist gelooft oprecht dat de mensheid uit afzonderlijke, biologische rassen bestaat. Witte Europeanen, zwarte Afrikanen, Oost-Aziaten, Zuid-Aziaten, mensen uit het Midden-Oosten, Roma en anderen worden in dat denken voorgesteld als wezenlijk verschillende soorten mensen, alsof afkomst een biologische grens vormt tussen mensen.
‘Ras’ is voor hem of haar geen sociaal label, maar de vermeende blauwdruk van de mens, waaruit karakter, verstand, moraal, seksualiteit, geweld, creativiteit en bestuurlijk vermogen zouden voortkomen. In die vermeende hiërarchie plaatst de racist zichzelf gemakshalve dicht bij het eindpunt van de evolutie en rangschikt hij of zij geracialiseerde mensen onder zich, vooral zwarte Afrikanen, die de racist zich voorstelt als dichter bij dieren, in het bijzonder apen.
Hij of zij gelooft werkelijk dat evolutie de mensheid over duizenden, zo niet miljoenen jaren ongelijk heeft gemaakt. Verschillende omgevingen zouden volgens hem door natuurlijke selectie verschillende mensentypen hebben gevormd. Het is een bijna religieuze overtuiging, een narcistische zelfverheffing waarin de eigen waarde afhankelijk wordt gemaakt van de ontmenselijking van de ander. Dat is geen kennis, maar een waanbeeld dat zichzelf kennis noemt.
Racisme als norm
Historisch gezien stond dit waanbeeld nooit op zichzelf. In de late 19e en vroege 20e eeuw was racisme de norm in Nederland, net als elders in Europa. Het Koloniaal Instituut in Amsterdam presenteerde Indonesiërs als primitieve mensen die Europese leiding nodig hadden. Wetenschappers maten schedels om de vermeende inferioriteit van niet-witte volkeren te ‘bewijzen’. Politici spraken openlijk over ‘de ethische plicht’ om ‘lagere rassen’ op te voeden. Kranten schreven zonder gêne over ‘de inlander’ als ‘lui’, ‘kinderlijk’ en ‘onbetrouwbaar’.
In Suriname en de Antillen bepaalde huidskleur mede de toegang tot ambten, onderwijs en sociale kringen. Tussen 1810 en 1940 bezochten naar schatting anderhalf miljard mensen in Europa en Noord-Amerika koloniale exposities waarin mensen uit gekoloniseerde gebieden als levende attracties werden tentoongesteld. Zij stonden daar als onderdeel van dezelfde etalage als goederen en dieren. Binnen dit wereldbeeld geloofde men letterlijk dat men verder geëvolueerd was dan de rest van de mensheid.
In Nederland kreeg dit racisme niet alleen ruimte, maar werd het generaties lang aangeleerd. Racisme werd Nederlanders letterlijk als waarheid bijgebracht, totdat de verzonnen constructie van ‘ras’ niet langer als ideologie werd herkend, maar als vanzelfsprekend gezond verstand. Door herhaling werd een leugen zo vertrouwd dat zij niet meer als leugen verscheen, maar als de manier waarop men de wereld leerde zien.
Politieke daad
Om te begrijpen hoe diep deze structuren zich hebben genesteld, blijft het werk van Ineke Mok (1999) onmisbaar. Voor haar proefschrift ‘In de ban van het ras’ onderzocht zij meer dan een eeuw aan Nederlandse aardrijkskundeschoolboeken, juist omdat aardrijkskunde kinderen liet kennismaken met ‘verschillende culturen’. Hoewel genetici het concept ‘ras’ al na de Tweede Wereldoorlog op empirische en morele gronden verwierpen, drong die kritiek nauwelijks door tot de Nederlandse schoolboeken. Er was dus geen echte breuk na 1945.
Vanaf het eerste HBS-leerboek in 1876 functioneerde ‘ras’ als vanzelfsprekende categorie, en Mok stelt dat het begrip zo diep ‘ingesleten in de Nederlandse cultuur’ was dat het tot 1992 nog ‘vrij algemeen gebruikt’ werd als ‘een neutraal geografisch begrip’. Kinderen leerden mensen indelen als ‘europide’, ‘mongolide’ en ‘negride’, met ‘raskenmerken’ zoals ‘blanke huidkleur’, ‘smalle neus’, ‘dunne lippen’, ‘mongolenplooi’, ‘kroeshaar’, ‘brede platte neus’ en ‘dikke lippen’. Ze kregen een ‘rassenoverzicht’ en moesten de ‘wereldbevolking’ in dat ‘schema’ onderbrengen. Een persoon werd niet eerst als mens gezien, maar als vertegenwoordiger van een vermeend biologisch type. In populaire schoolmethoden als Kern geografie en Land en volkenkunde werden foto’s, kaarten en opdrachten gebruikt om rassen, subrassen en hiërarchieën in te oefenen. Zelfs in de jaren negentig gebruikten schoolmethoden en De Grote Bosatlas nog rassenindelingen.
Die indeling was nooit onschuldig. Volgens Mok was classificatie ‘niet zozeer een cognitieve handeling, als wel een sociale, politieke daad’ die ‘functioneert als machtsinstrument’. De rassencategorieën deden alsof zij de natuur beschreven, maar volgens Mok lag ‘in de classificatieschema’s zelf de ongelijkheid al besloten’. Tegelijk laat zij zien hoe het onderwijs zijn eigen gang ging, lang nadat de wetenschap de rassenleer al had weerlegd. Schoolboeken drukten ‘een superieur zelfbeeld’ uit tegenover ‘een inferieur beeld van de ander’. Auteurs deelden ‘de voorkeur voor het uiterlijk van het blanke ras’ en vonden in ‘de evolutietheorie’ en ‘het geografisch determinisme’ rechtvaardigingen voor ‘de superioriteit van het blanke ras’. Zo kregen kinderen een manier van waarnemen aangereikt die ‘mede hun kijk op de wereld bepaald’ heeft.
Ras en klimaat
Koloniale uitbuiting werd zo niet ondanks wetenschap gelegitimeerd, maar via wat zich als wetenschap voordeed. Mok schrijft dat de onderzoeksresultaten van rassenwetenschappers ‘via de aardrijkskunde hun weg naar het onderwijs’ vonden en zo de ‘hechte band tussen wetenschap, onderwijs en vorming’ blootlegden. In de oudste schoolboeken werkten volgens haar ‘motieven uit een raciaal en imperialistisch vertoog’ door in fysische geografie en in beschrijvingen van plantenwereld, dierenwereld en veronderstelde mensenrassen, waardoor die laatste ‘een extra lading’ kreeg. Het ging hier dus niet alleen om vooroordelen, maar om een kennisorde waarin wetenschap zelf de taal leverde waarmee macht zich als natuurwet kon voordoen.
Al sinds de oudheid werden klimaat, omgeving en karakter aan elkaar gekoppeld. In de moderne rassenleer kreeg dat idee een raciale vorm. In het Beknopt leerboek der aardrijkskunde van Pieter Roelf Bos werden Nederlanders beschreven als Germanen van het ‘Kaukasische ras’. Europa gold door zijn klimaat als ‘hoofdzetel der beschaving’. Schoolboeken maakten die boodschap bijna biologisch. ‘De tropische hitte verslapt de werkkracht’, terwijl ‘het gematigde klimaat prikkelt tot arbeid en beloont dien’. Een ander leerboek stelde dat de gematigde luchtstreek het gunstigst was voor ‘de verstandelijke ontwikkeling’ en daarom ‘de meest ontwikkelde natiën’ voortbracht. Mok laat zien dat het onderwijs de leerling stelselmatig positioneerde als ‘blank’, met een ‘natuurlijke positie en missie’.
Natuurlijke orde
Die missie was niet abstract. Zij kreeg een visuele grammatica die kinderen leerde waar zij zichzelf en anderen moesten plaatsen. De schoolplaat ‘De vijf mensenrassen’, vanaf 1911 in Nederlandse klaslokalen, plaatste de westerse man volgens historicus Jacques Dane ‘letterlijk in het midden en aan de top van de evolutie’. De Afrikaanse figuur stond onderaan en als enige in profiel, een beeldtaal die direct teruggrijpt op 18e eeuwse vergelijkingen tussen zwarte mensen en apen. Zo werd kinderen niet alleen geleerd dat er rassen zouden bestaan, maar ook dat witheid het eindpunt van menselijke ontwikkeling vormde en zwartheid dichter bij dierlijkheid stond. Het Nationaal Onderwijsmuseum erkent inmiddels dat zulke platen kolonialisme romantiseerden en ‘de superioriteit van witte mensen’ benadrukten door uiterlijk te koppelen aan intelligentie en karakter.
Rudolf Steiner
Zelfs tot diep in de jaren negentig onderwezen Nederlandse Vrije Scholen rassenleer op basis van Rudolf Steiners literatuur, waarin stond dat ‘het blanke ras het meest geestelijk ontwikkeld is’. De jaren negentig, niet de jaren dertig. Mok beschrijft hoe kinderen leerden dat ‘het blanke ras in ontwikkeling voorloopt op de andere rassen’, dat ‘het zwarte ras tot de nacht behoort’, ‘het gele tot de ochtend’ en ‘het blanke tot de dag’. Ook kregen zij de variant dat ‘negers verkeren in het baby stadium, Aziaten staan gelijk aan pubers en blanken zijn volwassenen’. Mok maakt duidelijk dat dit geenszins uitzonderingen waren, maar onderdelen van een samenhangend vertoog waarin ‘beschouwingen van het klimaat’ door imperialistische motieven werden gestuurd. Het ‘blanke ras’ belichaamde volgens haar ‘dit streven’.
Ideologisch denkkader
Evolutie, klimaat en ‘ras’ vormden samen één ideologisch denkkader dat via onderwijs, musea, tentoonstellingen en schoolplaten werd bevestigd als wetenschap. Generaties groeiden op met het waanidee dat hun positie het gevolg was van aanleg en verdienste, niet van roof en uitbuiting. Zo vervormde dit onderwijs niet alleen het beeld van de ander, maar ook het beeld van de werkelijkheid zelf. Mok schrijft dat dit letterlijk moet worden begrepen, omdat ‘het blanke ras’ als ‘voorname grondslag voor identiteit’ functioneerde en lezers op die identiteit werden aangesproken. Het ging volgens haar om ‘het mens of wereldbeeld dat tot stand kwam’ en waardoor dat ‘blanke ras’ ‘superioriteit’ kon verwerven. Aan generaties werd geen objectieve kennis doorgegeven, maar een provinciale blik die zichzelf universeel verklaarde.
‘Culturele uitwisselingen’ en ‘verrijking door cultuurcontacten’ kwamen volgens Mok slechts ‘mondjesmaat’ voor, terwijl juist een fundamentele herziening nodig was van ‘het eigen verleden en de rol van anderen daarin’. Kinderen leerden daardoor weinig over hoeveel Europese kennis gebouwd was op anderen, van Arabisch-Islamitische wetenschap tot koloniale arbeid en gestolen grondstoffen. Deze pedagogiek van ‘ras’ en ‘beschaving’ was volgens Mok ‘niet typisch voor Nederland’ en kwam ook in omringende landen voor. Koloniale staten deelden niet alleen winst, maar ook de rassenleer die nodig was om die winst te rationaliseren. En dus bepaalt deze fictie nog altijd wie erbij hoort en wie niet, wie empathie verdient en wie niet.
Institutioneel racisme
Hier wordt dan ook zichtbaar waar institutioneel racisme in Nederland zijn wortels heeft. Racisme behoort tot het cultureel archief van Nederland, een koloniale erfenis die nooit is ontmanteld. Wanneer de omstandigheden erom vragen, wanneer er economische onzekerheid heerst of politieke macht te winnen valt, grijpt men terug op dat archief. De taal verandert, van ‘ras’ naar ‘cultuur’, van ‘biologie’ naar ‘identiteit’, maar de onderliggende logica blijft herkenbaar. Niet omdat zij waar is, maar omdat zij functioneel is. Voor de onzekere biedt zij de schijn van houvast. Voor wie moeite heeft met het verleden, herschrijft zij het. Het complexe reduceert zij tot het eenvoudige. En aan wie wil uitsluiten, verleent zij legitimiteit.
Nederland is diep doordrenkt van racisme, niet als vreemd restant van een afgesloten verleden, maar als levende doorwerking van wat eeuwenlang is aangeleerd en nooit op dezelfde schaal is afgeleerd. De expliciete rassenleer verdween weliswaar uit schoolboeken, maar niet uit het collectieve geheugen en evenmin uit de maatschappelijke structuren die zij voortbracht. Er kwam geen werkelijke breuk met deze indoctrinatie, noch verantwoording voor de ontmenselijking en belangen die zij diende. De kinderen die hiermee opgroeiden, werden later leraren, werkgevers, ambtenaren, agenten, artsen, rechters, politici en beleidsmakers, kregen zelf kinderen en gaven door wat zij ooit als vanzelfsprekend hadden leren zien.
Waanbeelden als wetenschap
Er is geen blank ras. Er is geen zwart ras. Er is geen geel ras. Er bestaan alleen mensen. Die categorieën waren geen ontdekkingen, maar uitvindingen. Zij waren toen geen wetenschap en zijn dat nu evenmin. Het waren waanbeelden, verkocht als wetenschap, zodat de grootste georganiseerde misdaad in de geschiedenis kon voortduren door mensen die zichzelf beschaafd noemden. De vraag is daarom niet wanneer Nederland dit erkent. De vraag is of een samenleving die haar identiteit zo diep in deze leugen heeft geïnvesteerd, ooit belang heeft bij ophouden met liegen. Dat besef is niet het einde van het gesprek, maar het moment waarop het eindelijk kan beginnen.
Roman Akyüz is afgestudeerd in evolutionaire, comparatieve en ontwikkelingspsychologie, en werkt momenteel als beleidsmedewerker.





RSS