Een adembenemende spektakelfilm op papier
Peter Breedveld

Illustratie: Moyoco Anno.
Alweer vier jaar geleden las ik De Val van de Taira, een vertaling door Jos Vos van een Middeleeuws Japans epos over een oorlog tussen twee machtige families. Ik heb in mijn bespreking ervan geklaagd over het lompe Nederlands van een verder zeer vermakelijk maar hier en daar langdradig boek.
Ik wilde altijd al eens de klassieker Heike Monogatari lezen, ‘Het Verhaal van Heike’, dat heb ik eindelijk gedaan, in het Engels vertaald door Royall Tyler en ik zat dat heel geboeid te lezen toen ik me na een pagina of 50 begon af te vragen of ik dit niet al eens eerder gelezen had en me plotseling realiseerde dat De Val van de Taira dus gewoon de Heike Monogatari was.
Ik weet nog dat ik De Val van de Taira wel de moeite waard vond, maar geen page-turner. Van Tylers vertaling raakte ik echt bezeten. Het is een zeer meeslepend boek. Tijdens het lezen ben ik van alles gaan opzoeken en nu wil ik ook een andere vermaarde vertaling gaan lezen, die van Helen Craig McCullough, die academischer schijnt te zijn en met meer vrouwelijke sensitiviteit.
Vrouwelijke krijger
Wat maakt Tyler voor mij nou zoveel pakkender dan Vos? Om te beginnen is het Tylers opera-achtige stijl, een mix van proza, voordracht, blanke versvorm en liedteksten, terwijl Vos van het epos een jongensboek heeft gemaakt.
Neem de passage waarin de vrouwelijke strijder Tomoe Gozen wordt geïntroduceerd, die op mij een onwisbare indruk maakte in Tyler, maar die ik me bij Vos helemaal niet kon herinneren. Vos introduceert haar zo:
Uit Shinano had heer Kiso twee schoonheden meegebracht die Tomoë en Yamabuki heetten. Yamabuki bleef in de hoofdstad omdat ze ziek was. Tomoë was de mooiste van de twee; zij had een prachtige witte huid, lang haar en ronduit betoverende gelaatstrekken. Zij was ook een felle strijdster en een uitzonderlijk krachtige boogschutter – een krijger uit duizenden die met haar zwaard iedere godheid of demon aankon, te voet of te paard. Ze bereed de wildste rossen en daalde daar de steilste hellingen mee af.
En nu Tyler:
With her lovely white skin and long hair, Tomoe had enchanting looks.
An archer of rare strenghth, a powerful warrior,
and on foot or on horseback a swordsman to face any demon or god,
she was a fighter to stand alone against a thousand.
She could ride the wildest horse down to the deepest slope.
En nu begrijpt u waarom ik Tomoe in de vertaling van Vos vergeten was en die van Tyler me altijd bij zal blijven. Qua vorm zit Tyler dichter tegen het origineel aan, dat het midden houdt tussen poezie en proza. Het effect, voor mij, is filmisch. Tomoe komt zeg maar zo het boek uit springen, wat dan het laatste is wat ik zal zien.
Ik wil over haar en over vrouwen op het Japanse slagveld in het algemeen snel een ander stukje wijden, want we zijn enorm voor de gek gehouden, al die tijd, met die verhalen over hypergeseksualiseerde geisha’s en lady Mariko’s, die meteen vallen voor elke witte baardaap die op het Japanse strand van zijn schip afstapt.
Keiharde actie
Er is zoveel meer in Heike Monogatari en ik zou alles wel willen aanstippen, maar dan leest helemaal niemand dit meer. Dit boek is een wervelwind waarin politieke intrige en keiharde actie worden afgewisseld met melodrama, tragische liefdesgeschiedenissen, fantasy, horror, poetische beschrijvingen van de natuur, filosofische beschouwingen en pure klucht. Psychologisch gaat dit dieper, zou ik zeggen, dan de Ilias, waar Heike Monogatari meer dan een gelijkenis mee heeft. Het verhaal, gebaseerd op historische gebeurtenissen, is in de veertiende eeuw opgeschreven door – jawel – een blinde monnik en werd daarna in fragmenten opgevoerd door blinde priesters, die Biwa-hōshi heetten.
Zo is de Heike Monogatari deel gaan uitmaken van het collectieve bewustzijn van de Japanners. Het spreekt enorm tot de verbeelding en leest – mits goed vertolkt en dan helpt het dat Engels zo’n flexibele taal is, tegenover ons hoekige Nederlands – als een Cecil B. DeMille-film. Een spektakel, met massa-gevechtsscènes en larger-than-life personages.
Raspoetin-achtige monnik
Eén van die figuren is Mongaku, een Raspoetin-achtige monnik, een totaal onbevreesde wildeman die machtige mannen tot oorlog aanzet. Een extremist die maanden achter elkaar naakt onder ijskoude watervallen doorbrengt en de ongelofelijkste beproevingen overleeft. Hij is suicidaal en vervloekt de mensen die zijn leven redden, omdat hij gebukt gaat onder een verpletterend schuldgevoel. Hij schopt rellen in de huizen van de machtigste heren tijdens een tocht om geld te crowdfunden voor voor de wederopbouw van zijn tempel.
Mongaku reist naar het eiland waar een heer, Minamoto no Yoritomo, in ballingschap zit na te zijn beschuldigd van een complot tegen de Taira, de machtige familie die het voor het zeggen heeft in Japan en die de rivaal is van de Minamoto’s. Yoritomo zit daar best op zijn eiland en heeft geen zin in een opstand, maar Mongaku haalt uit zijn tas een schedel tevoorschijn die volgens hem van Yoritomo’s vader is, gestorven op het slagveld. Hij speelt op manische wijze in op Yoritomo’s gemoed, die dan huilend die schedel tegen zich aanklemt en een bloedeed zweert om zijn vader te wreken en de Taira uit te roeien.
Honderden pagina’s later, zo’n beetje aan het eind van het boek, zegt Mongaku doodleuk tegen Yoritomo, nu de machtigste man van Japan, dat die schedel helemaal niet van zijn vader was maar dat hij die gewoon ergens had gevonden. Dan haalt hij weer een andere schedel tevoorschijn en zegt: “Maar dit is wel de echte schedel van uw vader.”
Een totale gek, en een wonder dat hij 80 heeft kunnen worden, maar je hebt van die mensen die overal mee wegkomen, terwijl de machthebbers er in die tijd geen been in zagen kinderen te laten vermoorden omdat ze bij de verkeerde familie hoorden.
Hersenpasta
Er zit trouwens een monnik in het boek die nóg extremer is dan Mongaku. In een historische flashback slaat een zekere Eryō zijn eigen schedel in, vijzelt zijn eigen brein samen met wat maanzaad tot een pasta om die ritueel te verbranden in de hoop een bepaalde god zover te krijgen zich te bemoeien met de strijd tussen twee rivaliserende prinsen, waarvan Eryō er een steunt. Ik heb Google gevraagd of monniken dat echt deden in die tijd, want hé, over de Inca’s heb ik gekkere dingen gelezen, maar het is een grotesk overdreven versie van een ritueel met een koe van klei.
Een slappeling met hazentanden
Een andere interessante figuur is Yoshitsune, een jongere broer van Yoritomo, die een briljante strateeg is en een legeraanvoerder die iedereen vrees inboezemt, maar geen beste vechter. Hij is klein en onooglijk en er wordt een nadrukkelijk punt gemaakt van het feit dat hij hazentanden heeft. Hij is niet één van die mannen (of vrouwen) die een enorme boog kan aanspannen en heeft dus een kleine, handzame boog, die hij tijdens het vechten verliest en speciaal gaat terughalen. Dit tot grote ontsteltenis van zijn makkers, die hem vragen waarom hij zijn leven waagt voor een boog. Hij zegt dan dat hij niet wil dat de vijand die kleine boog vindt en dan weet dat hij een slappeling is.
Ik vind dat ingenieus, zo’n detail in het verhaal waarmee je een heleboel inzicht in iemands psyche krijgt.
Uiteindelijk wordt Yoshitsune verraden door zijn broer die, nadat hij aan de macht is, een paranoide dictator wordt die iedereen wantrouwt, zelfs de mensen die zo dapper voor hem gevochten hebben.
Boeddhistische moraal
Dat is de moraal van het hele verhaal, dat er geen vlekkeloze helden en inktwarte schurken bestaan, maar dat in elke mens het slechte en het goede zit. Dat alles voorbij gaat en alles weer terugkomt.
Ik hou er nu maar mee op, maar ik kom nog wel een paar keer terug op de Heike Monogatari. Heel binnenkort ga ik iets schrijven over Tomoe Gozen. Wat een vrouw.





RSS