Frontaal
Naakt
23 september 2026

Wat voor kapitalisme willen we eigenlijk?

Werner de Gruijter


Illustratie: Tomoe Gozen, Utagawa Kuniyoshi-school?.

Nederland discussieert over box 3, de vermogensbelasting, maar komt er niet uit. Daaronder ligt echter een grotere keuze: sturen we kapitaal naar woningen, bedrijven, scholen en infrastructuur, of naar hogere prijzen van bezit dat al bestaat? Want kapitaal kan steeds bepalender worden in de kansen die we krijgen, maar tegelijk ook worden ingezet om nieuwe welvaart breder op te bouwen. Dus wat gaat het worden?

Het was nog even spannend, zo berichtten tenminste diverse media. Vlak voor Prinsjesdag liep de coalitie vast op box 3, de vermogensbelasting. Daar werd plots de tegenstelling scherp zichtbaar. De VVD wilde snel een vermogenswinstbelasting invoeren, via een maatregel die de schatkist miljarden zou kosten en die vooral vermogenden ten goede zou komen. D66 en CDA wilden daar niet in meegaan zolang tegelijk op de sociale zekerheid werd bezuinigd. Het dilemma werd niet opgelost, het besluit werd vooruitgeschoven.

Economische macht

Dit klonk allemaal als een echo uit een ver verleden. Het raakt aan die oude politieke tegenstelling die al vanaf de geboorte in het kapitalisme verborgen zit: hoeveel economische macht laten we bij de markt (dus vooral bij de vermogenden), en hoeveel organiseren we gezamenlijk voor werkenden, studerenden, zieken, kortom, voor de rest?

Kapitalisme kent namelijk verschillende vormen. Bijvoorbeeld de versie van vlak na 1945. Ook toen maakten bedrijven winst, leenden banken geld uit en bouwden mensen vermogen op. Maar de naoorlogse economie stond sterk in het teken van opbouw: woningen, fabrieken, wegen, scholen. Vooral sociaaldemocraten wilden economische macht breder spreiden, via sterke vakbonden, publieke voorzieningen, sociale zekerheid en belastingen. Dat besef leefde sterk en zette zich om in beleid. Maar hoe anders is dat nu.

Verschillende versies

Voor de duidelijkheid: stel je hebt zeven ton beschikbaar. Je kunt daar een huis mee laten bouwen. Dan gaat dat geld onderweg naar bouwers, installateurs en leveranciers, er worden lonen betaald, materialen gekocht en aan het einde staat er een woning die er daarvoor niet stond. Veel mensen hebben daar dus wat aan. Maar je kunt met diezelfde zeven ton ook speculeren en bieden op een bestaand huis. De verkoper ontvangt geld en voor de koper kan de prijs verder oplopen. Dat is fijn voor wie een huis bezit, maar aan het aantal woningen of banen verandert niets.

Vanaf de jaren tachtig begon vooral die laatste kant van het kapitalisme zwaarder te wegen. De meer financieel, marktgerichte versie van kapitalisme won terrein. Liberale en veel conservatieve partijen legden vertrouwen bij particulier bezit, concurrentie en de markt en wilden de overheid kleiner maken. De beweging draaide zo om privatiseren, dereguleren en het vrij laten bewegen van kapitaal. Later namen ook sociaaldemocratische partijen grote delen van die koers over. Een periode die bekend zou worden als het neoliberale tijdperk.

Financialisering

Die omslag veranderde ook de rol van geld. De Nederlandse econoom Irene van Staveren, hoogleraar pluralistische ontwikkelingseconomie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, beschrijft die ontwikkeling als ‘financialisering’. Ze bedoelt de nieuwe situatie waarin de financiële wereld sneller is gaan groeien dan de reële economie die gegrondvest is in bloed, zweet en tranen. Volgens haar kun je de financiële sector zien als een steeds groter wordend “waterhoofd” die de echte, doorleefde wereld afknelt.

Dat lijkt misschien uit zijn verband getrokken. Maar hoe ver die financiële wereld is losgeraakt van de reële economie, tonen de cijfers. Rond 1980 waren bijvoorbeeld beide ongeveer even groot; in 2007 was de financiële wereld al 3,4 keer zo groot. Steeds meer van die groei kwam niet uit nieuwe huizen, bedrijven of machines, maar uit hogere prijzen van bezit dat er al was. Kortom, financialisering. Die lijn zette door. In 2025 was het mondiale bezit inmiddels ongeveer vijftien keer zo groot als wat jaarlijks, wereldwijd in de reële economie werd verdiend; en het einde is niet in zicht.

Volgende crisis

Maar in 2008 werd wel goed zichtbaar hoe kwetsbaar dit is. Huizenprijzen en beurskoersen waren jarenlang gestegen en banken verdienden aan steeds meer leningen. Toen de prijzen plots kelderden, kwamen de risico’s en schulden bij overheden, bedrijven, en toch vooral, zo benadrukt Van Staveren, bij gewone mensen terecht.

Daarna veranderde er in beleidskringen weinig. Om de economie te stutten werden toen door centrale banken de geldpersen aangezet. Dat hielp. Alleen zorgde dat bijgeprinte geld niet vanzelf tot investeringen in de echte wereld. Een flink deel ervan verdween opnieuw in het ‘waterhoofd’ in de vorm van opgeblazen bezittingen als huisprijzen of aandelen. Genoeg, zo zegt inmiddels menig econoom, voor een volgende crisis.

Kosten en investeringen

En er gebeurde nog iets interessants. Met deze omslag veranderde ook de taal waarmee we naar geld kijken. Uitgaven aan publieke voorzieningen als scholen of infrastructuur werden steeds vaker als kosten gezien, terwijl geld dat markten moest ondersteunen al snel als investering gold. Vandaar dat in rap tempo werd beknibbeld op de publieke voorzieningen waar ons sociale weefsel op drijft. Ook daarin werd zichtbaar hoezeer dit kapitalisme van vorm was veranderd.

Dus decennialang maakten we regels waardoor bezit steeds makkelijker nieuw bezit kon voortbrengen, met als gevolg een opgeblazen financiële wereld ten faveure van vooral vermogenden. En nu ruziën we, met die vermogensbelasting in het achterhoofd, over hoe die opbrengst vervolgens moet worden verdeeld. Maar de wezenlijke keuze ligt hier volgens mij eerder: welk soort kapitalisme willen we eigenlijk?

Werner de Gruijter is psycholoog en docent sociale wetenschappen.

Nieuwsbrief