De geschiedenis van mijn racisme (3)
Peter Breedveld

Illustratie: George Barbier
Toen ik veertien was, ging ik met mijn vriendinnetje en een paar vrienden van haar naar een buurtdisco, waar vrijwel meteen een klein jongetje tegen me opbotste en tegen me begon te schreeuwen. Ik moest daar een beetje om lachen, om dat driftige opdondertje, toen ik totaal onverwacht een enorme dreun op mijn neus kreeg. Ik hoorde het neusbotje kraken en het bloed stroomde uit mijn gezicht, alsof iemand de kraan had opengezet. Geschokt en verdwaasd stond ik daar, terwijl naast me een enorme, volwassen kerel tegen me blèrde. Waar het over ging, kon ik niet verstaan.
Ik werd door de vader van dat vriendinnetje naar het ziekenhuis gebracht, waar röntgenfoto’s werden gemaakt, maar daarvoor moest ik eerst mijn oorringetje uitdoen. Een verpleegster vertelde me dat mijn neus gebroken was, maar dat die vanzelf zou genezen, als ik het maar een beetje rustig aan deed, de komende tijd, en niet meer aan het vechten zou slaan.
Protesteren hielp niks, iedereen die mijn gebroken neus zag, vermaande me dat ik niet had moeten vechten en mijn vriendinnetje kreeg op haar kop van haar vader – die mocht me toch al niet omdat ik hem desgevraagd had verteld dat ik niet in God geloofde en ik was een vechtersbaas en ik had nog een oorringetje in, ook.
Toen ik ging rondvragen, vertelden jongens me dat mijn belager één of andere asociale psychopaat was die het met zijn zus deed en dat ik het zo maar beter kon laten. Ik heb hem, bij mijn weten, daarna nooit meer gezien.
Het is me vaker gebeurd dat ik met een groep vrienden op stap was en er als enige werd uitgepikt door dronken ruziezoekers. Ik hoefde nooit te rekenen op bijstand van de jongens, met wie ik was. Die gingen altijd een beetje schaapachtig staan toekijken hoe ik probeerde mijn agressors van me af te schudden. Als dat was gebeurd, kwamen ze de schade opnemen en zeggen hoe stom ze die andere jongens vonden.
Dat overkwam me nooit als ik met mijn Indische en Molukse vrienden was. Dan kreeg ik – of iemand anders uit onze groep – het ook wel eens aan de stok met dronken klootzakken, maar dat liep altijd slecht af voor de dronken klootzakken. Iedereen in Apeldoorn wist dat, als je ruzie had met een Molukker, je binnen drie seconden ruzie had met alle Molukkers die zich in een straal van een halve kilometer van die plek bevonden. En drie seconden later ook met de Molukkers die zich weer in een straal van een halve kilometer dááromheen bevonden, enzovoort.
Dat werd door de autochtonen als één van de slechte eigenschappen van Molukkers gezien, maar ik voelde me er fijn bij. Het gaf een gevoel van één voor allen, allen voor één en bovendien zorgde het ervoor dat ik de zaterdagavonden meestal zonder kleerscheuren doorkwam. Uiteindelijk was niemand geïnteresseerd in een kloppartij, maar in lol maken en meisjes versieren.
Toch gebeurde het regelmatig dat er ’s zaterdagnachts gevochten werd door Molukkers en andere groepen, vaak kampers, of met boeren, als we naar één van de dorpen om Apeldoorn gingen. Dat begon meestal met een dronken klootzak die het leuk vond om “HÉ! BLAAAAAUUWWWE!” naar ons te roepen of iets dergelijks.
Dat werd massaal matten. Daarbij maaide je gewoon iedereen neer die niet bij jouw groep hoorde, maar die zich wel op de plek des onheils bevond. Het gevecht eindigde meestal als er zoveel Molukkers gemobiliseerd waren dat het voor de tegenpartij beter was het hazenpad te kiezen. Ik had dan soms een blauwe plek of een schram, of ik proefde bloed in mijn mond, maar dat smaakte lekker, want ik was voor mijn vrienden opgekomen, en mijn vrienden voor mij.
Ik heb gemerkt dat de meeste blanke Nederlanders zich daar niks bij kunnen voorstellen. Het Apeldoornse uitgaansleven was vrij gewelddadig in mijn tijd (nog steeds, begrijp ik) en er was altijd wel ergens een gevecht gaande, waarbij je dan een jongen afgerost zag worden terwijl zijn vrienden stonden toe te kijken. Anders is het niet eerlijk, hoorde ik wel eens zeggen. Wat nou, ‘niet eerlijk’? Je blijft van mijn vrienden af, anders pakken we je zo hard en met zoveel als we kunnen!
Dat lijkt me eerlijk. De ander heeft toch de keuze om mij met rust te laten? Doet-ie dat niet, dan moet-ie ook niet zeuren over een ‘fair fight’ of iets dergelijks. Hetzelfde zie ik bij Marokkanen en Turken en eigenlijk iedereen die geen witte Nederlander is. In fact, ik denk dat het in Srebrenica iets anders was gegaan als de VN-soldaten daar Molukkers waren geweest. Voor mij is die onverkwikkelijke zwarte bladzijde uit de recente vaderlandse geschiedenis een onvermijdelijk gevolg van de uitgesproken laffe en egoïstische aard van de witte Nederlander.
Is dat racisme? Misschien wel, en het is ongetwijfeld niet fair tegenover massa’s witte Nederlanders die zichzelf wel in gevaar brengen om een ander te redden. Maar als weirdo, die altijd en overal door bullebakken wordt uitverkoren voor een pak rammel, kun je je de luxe van een onbevooroordeelde blik op de wereld niet veroorloven en moet je je vrienden met zorg kiezen. En ik had al gauw door dat de omgang met andere blanke jongens niet goed was voor mijn gebit en mijn mooie, meisjesachtige gezichtje.
Ik koos voor de Indische jongens. Ze waren trouwens de enigen die me blijvend in hun gezelschap duldden. En ik heb daar nooit spijt van gehad. De verwijten van mijn vader, dat ik een verrader was van mijn eigen volk, nam ik op de koop toe.
Dit is het derde deel van een 356-delig feuilleton over mijn ervaringen met racisme (eerste deel hier, tweede hier). Politiekcorrect als de neten en uiteraard met een heldenrol voor mijzelf, waarbij ik af en toe wel een paar pekelzonden zal opbiechten, om het geheel een beetje geloofwaardig te houden. Geïnspireerd door dit ontroerende verhaal van Gin Mooy, die weer werd geïnspireerd door het onthutsende relaas van Hassnae.





RSS