De geschiedenis van mijn racisme (4)
Peter Breedveld

Illustratie: Frederick Goodall
Ik zat eens met de bijdehandte Indo uit het tweede deel van dit feuilleton bij mijn vriendinnetje thuis. Zij had een jonger broertje – een typisch jonger broertje, niet heel kwaadaardig of zo, gewoon een irritant kutventje. Hij zat, onderuitgezakt in een leunstoel, recht tegenover mijn vriend en fluisterde met een treiterstemmetje: “Hé, glurinamer! Gluuuriiinaaamerrr!”
Op een dag zat ik alleen thuis toen een groep Molukse vrienden langskwam, om te vragen of ik mee ging stappen. Ik zei: wacht even beneden in de kamer, dan ga ik iets fatsoenlijks aantrekken. Toen ik boven was, arriveerde mijn moeder. Ze was onaangenaam verrast. Later begon ze erover te zeuren: “Ik wil al die zwarten niet in mijn kamer!”
Het zal de lezer niet verbazen dat ik liever bij mijn vrienden op bezoek was dan dat ik ze thuis ontving. De moeder van de bijdehandte Indo was dol op me. “O, wat is hij kenès!”, zei ze altijd, “als ik nog een dochter had, liet ik haar met hem trouwen!” Ze hàd een dochter, bijna tien jaar ouder dan ik, een ontzettend lekker ding, maar die had al verkering. Ze was, geloof ik, zelfs verloofd, met een hele toffe gast.
Het was geweldig bij hem in huis. Er waren altijd mensen en ik hoorde er helemaal bij. We luisterden naar jazz-rock en ouwehoerden over bas- en drumsolo’s. Dat ik elke dag bleef eten, was een vanzelfsprekendheid. Ik ging rond etenstijd ook gewoon aan tafel zitten. Alleen de broer van mijn vriend vond het lollig om daar iets van te zeggen: “Wat doe jij nou?” Ha-ha-ha, Os! Leuk hoor! Nu haal ik dezelfde lullige grap uit met de vrienden van mijn zoons.
In zijn buurt woonden veel Indische jongens en ook een paar Hollandse jongens, ‘Belanda’s‘, die zich gedroegen en praatten als Indische jongens. Net als ik, op een gegeven moment. De moeder van mijn vriend vond mij een typische Indo. Ik vond dat het grootst mogelijke compliment.
Alle Indische moeders vonden me te gek. Ik geloof niet dat er één bij was die me niet mocht. Ze vonden me mooi, geestig, charmant en ontwapenend. Eén moeder, een gescheiden vrouw, wilde zelf wel verkering met me (en ik met haar, eerlijk gezegd) en iemand anders’ tante was ook verliefd op me. Ik was gewoon de ideale man. Voor sommige van mijn vrienden werd daardoor de huiselijke druk onacceptabel hoog opgevoerd: “De hele tijd zeurt moeder dat we niet net zo zijn als Peter. Dat we net zo hard ons best moeten doen als Peter. Dat Peter van die goede manieren heeft”, klaagden twee vrienden, die broers van elkaar waren.
Ha! Terwijl ik mijn huiswerk net zo verwaarloosde als zij, in de klas net zo dwarslag, blowde, zoop, met de andere jongens meevocht op zaterdagavond en de eer van mooie meisjes bezoedelde – als ik daar de kans toe kreeg.
Een Indische moeder hebben – een groter geluk kan een mens niet treffen. Indische moeders zijn mooi en ze zijn lief. Indische moeders zijn niet zuinig met complimentjes en ze maken lieve grapjes, niet zelden hele ondeugende, over seks. Niet van die cynische sneren die Nederlandse moeders altijd maken, en waar altijd één of ander verwijt in verborgen zit. Indische moeders kunnen ook allemaal goddelijk koken. Man, wat is het eten van Indische moeders altijd gekmakend lekker.
Nu, wie vindt het gek dat ik jarenlang geobsedeerd ben geweest door Indische meisjes? Totdat ik een keer per ongeluk in Spanje terechtkwam en daar de allesverzengende erotiek van Spaanse vrouwen ontdekte, was ik alleen maar geïnteresseerd in Indo’s. Om mee te trouwen, echt. Op mijn zeventiende was ik al op zoek naar een lief Indisch meisje om mee te trouwen. Er was er één op school die wel wilde, ze was er niet erg subtiel over, maar die wilde ik niet.
Ik had mijn zinnen gezet op een heel stil meisje in mijn klas – ze viel niemand op. Alleen ik zag hoe waanzinnig mooi ze was. Ze had een beugel en een nogal uilige bril, maar daarachter zaten de mooiste zwarte amandelvormige ogen die ik ooit had gezien. Ze had volle, zinnelijke lippen, lang, donkerbruin haar – tegen het zwarte aan – en een lange, sierlijke hals.
Ik werd uitgelachen omdat ik haar mooi vond, maar nadat ik haar uitgevraagd, volgden al snel de andere jongens in mijn klas. De meeste mensen zijn schapen – ze ontdekken niks zelf. Overal moeten ze door een ander op worden gewezen.
Mijn date met haar verliep niet echt succesvol. Ik nam haar mee naar de film – Silkwood, met Meryl Streep, die zat toen in elke film – waar ze strakgespannen als een muizenval naast me zat. Ik weet niet meer hoe het tegenwoordig gaat, maar vroeger was de procedure dat je op een gegeven moment je hand op de hand van je date legde en haar probeerde te zoenen. Zo deed ik dat nooit. Ik vroeg altijd netjes toestemming aan een meisje, voor ik haar zoende, en nooit tijdens de film.
Of wacht, dat heb ik wel eens gedaan, omdat nota bene haar broer zei dat ik dat zo moest doen, maar dat is rampzalig verlopen. Misschien vertel ik het een andere keer – als ik durf.
Hoe dan ook, ik had allang besloten dat het moment voor een amoureus offensief nog lang niet daar was, deze moest eerst een poos het hof worden gemaakt. Ze was zo onervaren, en toen werd er in de film ook nog een ontzettend grove grap gemaakt, over een Indiaan die aan zijn vader vraagt hoe Indianen de namen voor hun kinderen kiezen. “Nou zoon, dan kijken we naar buiten, zien een kleurige regenboog en noemen de pasgeborene ‘Kleurige Regenboog’. Of we zien een gazelle voorbij schieten, ‘Rennende Gazelle’. Maar zeg eens, Neukende Honden, waarom vraag je dat?”
Ik bewoog mijn arm en ze klapte zowat dubbel van schrik.
Ik bracht haar naar huis, waar haar hele familie voor het raam stond. Zelfs een preutse afscheidszoen zat er niet in. “Laten we dit nog een keer doen”, stelde ik voor. “Echt?” zei ze. “Wil je dit nog een keer doen?”
Niet veel later kreeg ze verkering met een gladde Indo die op Lucky Luke leek, en die we daarom achter zijn rug Lucky Luke noemden. Die pakte het kennelijk voortvarender aan dan ik.
Dit is het vierde deel van een 356-delig feuilleton over mijn ervaringen met racisme (eerste deel hier, tweede hier, derde hier). Politiekcorrect als de neten en uiteraard met een heldenrol voor mijzelf, waarbij ik af en toe wel een paar pekelzonden zal opbiechten, om het geheel een beetje geloofwaardig te houden. Geïnspireerd door dit ontroerende verhaal van Gin Mooy, die weer werd geïnspireerd door het onthutsende relaas van Hassnae.






RSS