Frontaal
Naakt
20 juni 2026

De anti-influencer

Peter Breedveld

Na tweeënhalve dag Tokio heb ik het vliegtuig gepakt naar het Japanse eiland Hokkaido in het noorden. Nou ja, alleen Sapporo, de hoofdstad van Hokkaido. Ik was daar nog nooit geweest omdat het best ver reizen is en ik bang was om me er te vervelen. Hokkaido staat bekend als ski-oord in de winter en grazige heuvels in de zomer, met koeien en melk en kaas en zo, en ik had er een beetje Oostenrijk-associaties mee en ik heb dus echt niks met Oostenrijk.

Maar gelukkig lijkt Hokkaido, of in elk geval Sapporo, in niks op Oostenrijk. Sapporo is een vrij normale Japanse stad, houdt het midden tussen Tokio en het wat ordinairdere Osaka, maar dan met aanzienlijk minder toeristen. Het is anderhalf uur vliegen, dus je bent er zo. Ik koos voor vliegen omdat het met de hogesnelheidstrein acht uur is en omdat vliegen aanzienlijk goedkoper is. Ik heb geen last van vliegschaamte, maar ik heb wel een enorme hekel aan het gedoe op het vliegveld, waar ik meerdere keren enorm gedoe heb gehad. Ik ben altijd bang om iets te vergeten, om te laat te komen, dat er iets met mijn paspoort is of wat dan ook.

Man, het angstzweet breekt me al uit als ik een ticket moet boeken en een hotelkamer moet reserveren. Ik ben altijd bang de verkeerde beslissing te nemen, te worden afgezet of anderszins te worden belazerd, het verkeerde ticket te reserveren omdat ik altijd van alles niet zie, ik begrijp het systeem nooit, ik begrijp instructies en marketeer-speak niet, ik begrijp de opties niet en ik kan sowieso nooit kiezen. Ik laat Hassnae altijd alles doen. Maar nu heb ik alles helemaal zelfstandig gedaan en het voelde als een enorme overwinning. Ik had nog twee goede deals ook.

Sake bij de lunch

Ik moest dus best wat drempels nemen, maar het viel allemaal reuze mee, ook op Hokkaido is het openbaar vervoer top en in lunchtijd zat ik al aan een kom rijst met daarbovenop tal van heerlijkheden uit de zee, een kaisendon heet dat, in een pretentieloos zaakje op de Nijo-vismarkt. Ik dronk er sake bij, dus de baas vroeg of ik Fransman was, het was misschien ook wel wat vroeg voor sake, maar ik vind dat het lekkerst bij rauwe vis en zeevruchten. Ik was bovendien al sinds vier uur ’s morgens op en tenslotte: Bemoei je met je eigen zaken.

U ziet misschien de royale hoeveelheid zeeëgel in dit gerecht. Het werd me snel duidelijk dat zeeëgel een van de specialiteiten van Hokkaido is en dat die er aanzienlijk goedkoper is dan in Tokio. Ik heb dus heel wat zeeëgel gegeten, want het is één van mijn liefste lievelings. O, de zachte romige, zoetige ziltheid met soms een notig bitterje, als ik zoiets proef, ga ik bijna in God geloven. Mijn vaste visboer waarschuwt me altijd als hij zeeëgel heeft, ik móet die dan kopen. De schaal openkrijgen is een crime, al heb ik mensen het met het grootste gemak zien doen, maar de beloning! Vijf geelbruine tongetjes die smelten in je mond, één van de grote geneugten van het leven.

Mystieke riviertjes

Na de lunch heb ik de gezellige stad verkend. Sapporo heeft een boel toeristische attracties die me niet bijzonder interesseren, zoals een biermuseum. Sapporo is beroemd vanwege het biermerk Sapporo. Heel oude gebouwen staan er in Sapporo ook niet. Hokkaido was eeuwenlang een soort wingewest voor Japan, waarbij de Japanners van het hoofdeiland Honshu de oorspronkelijke bevolking van Hokkaido, de Ainu, uitbuitten en af en toe in de pan hakten, zoals de Indianen in Amerika. Pas in de 19e eeuw werd het eiland gekoloniseerd, “verjapanst”, gingen de Honshu-Japanners zich er vestigen en werden er overheidsgebouwen gebouwd en zo.

Het oudste gebouw in Sapporo, een oude klokkentoren, is van 1878.

Hele oude tempels heb je er ook niet. Er stromen riviertjes door de stad die onder de grond verwijnen en elders weer tevoorschijn komen en die toch iets oerouds, onvernietigbaars suggereren. Ze geven de stad iets mystieks, ze zijn de oude geest van de stad. Anders dan in Tokio, waar de rivieren zijn getemd tot levenloze, betonnen kanalen.

Ik moet erbij zeggen dat Sapporo er overdag behoorlijk saai kan uitzien en het is er ook vrij stil. Maar ’s avonds, als het donker wordt en de lichten aangaan, komt de boel echt tot leven.

Bruisend middelpunt van Sapporo is het Odoripark. Ik dacht hé, leuk, een danspark, maar je schrijft het met de kanji voor ‘groot’ en ‘laan’. Het park is inderdaad een brede baan door de stad heen. Er staat een toren met een grote digitale klok naar model van de Tokyo Tower – zelfde ontwerper heb ik begrepen.

Vis op een stokje

Ik viel er met mijn neus in de boter want er was een meerdaagse food-market, waar echt alles te proeven was wat je mogelijk kan verzinnen. Japanse en westerse zoetigheden, hartige snacks, kaas, wijn, vis, you name it. Een apart gedeelte was gereserveerd voor ramen. Ik heb er typisch Hokkaidaanse ramen gegeten, met gefermenteerde inktvis en een plak boter erbovenop. Zeer apart, een donkere smaak die in de verte doet denken aan haggis. Wel lekker, maar je moet ervan houden.

Ik heb ook nog een gegrilde vis op een stokje gekocht, ook één van mijn lievelings. Ik geloof dat het een ayu is, een zoetwatervis. Ze worden vaak bij festivals verkocht. Zo lekker.

Ja, lieve mensen, ik eet me een weg door Japan heen. En toch kom ik altijd kilo’s lichter weer in Nederland aan. Dat komt doordat ik constant loop als ik op vakantie ben. Uiteindelijk eet ik ook minder dan in Nederland, waar ik altijd zit, maar waar constant een soort irriterende ongedurigheid tot bedaren moet worden gebracht met chocola. Daar taal ik helemaal niet naar in Japan. Bovendien eet ik als ik trek heb, niet omdat het twaalf uur is, of zes uur of omdat ik niet zonder ontbijt het huis uit mag. Ik eet in Japan dus weinig, maar het is altijd iets bijzonders.

De beste ramen

De beste ramen in Sapporo, althans dat werd me verteld, is te eten in een wijk ver van het stadscentrum. Je moet een bijna waterloze rivier over, de Toyohiragawa, waar op de oevers wordt gerend en gespeeld en ik zag ook een klein golfbaantje waar ouderen in de weer waren, ik liep door stille straten in een woonwijk met af en toe een winkel of een restaurant, gebouwtjes in die rare, faux-westerse stijl die ik ook in Kobe zag, waar de eerste westerlingen in de 19e eeuw hun woningen en consulaten probeerden te bouwen zoals thuis, in plaats van zich aan te passen.

Ik liep langs een school waar een massa scholieren op een plein iets voor mij onverstaanbaars stond te scanderen, totdat ik bij een klein gebouw naast een parkeerplaats aankwam waar een lange rij mensen voor stond te wachten: Menya Saimi.

Ze maken er miso-ramen, dus met soep gemaakt op basis van miso (maar ook varkensbotten enzovoort), daar staat Hokkaido bekend om; in Tokio is vooral soya-ramen populair. De ramen van Menya Saimi is gekmakend lekker en kost bijna niks, met de huidige wisselkoers iets van 5 euro of zo.

Je kon ook zakken met noedels en soep kopen om thuis nog een keer te genieten. Ik kocht er vier om met mijn kinderen te eten (de soep is op basis van varkensbotten, dus Hassnae mag die niet). De noedels waren echt vers, zelfgemaakt, de bloem er nog aan. Ik heb de chashu verkloot, de gegrilde plakken varkensvlees, die heb ik laten verbranden, maar we hebben toch genoten.

Op bezoek bij de Ainu

Op Hokkaido wilde ik ook de Ainu van dichtbij zien. In een film, ‘Ainu Mosir‘ (trouwens met de in de vorige aflevering genoemde Lily Franky in een bijrol) zag ik dat de hoofdpersoon in een dorp woonde dat een toeristisch gedeelte had, waar de Ainu zelf hun ambachtelijke producten en etenswaar verkochten enzo. Ik dacht dat dat misschien het Upopoy National Ainu Park in Shiraoi kon zijn, vanuit Sapporo een uurtje met de trein. Ik reserveerde tickets, want “vol is vol”, staat er op de website, en een plek in het restaurant in het park, met echt authentiek Ainu-eten.

Het is een enorm park, met een groot meer, kleine bergen daarachter, glooiende grasvelden, een soort Teletubbie-land, maar het was best koud die dag, en de lucht was grijs. Er was bijna niemand. Er stonden wat traditionele Ainu-huizen, in het museum moest je eerst naar een filmpje kijken over de geschiedenis van de Ainu, zéér kritisch over het Japanse kolonialisme, kritischer dan ik ooit in Nederland heb gezien als het over het kolonialisme gaat. Maar wel duidelijk op scholieren gericht. Het museum staat vol gebruiksvoorwerpen, traditionele kleding en attributen, boten, wapens, opgezette dieren. In de museumwinkel aardewerk en sieraden die meer kosten dan een scholier kan betalen.

In het park kon je de huizen in, daar zat dan iemand een verhaal over een Ainu-kind te vertellen aan de hand van plaatjes, echt kleuterniveau, maar daardoor kon ik het wel makkelijk volgen. Het ging over de relatie van de Ainu met de natuur, over kaigyu en kamuy, dieren en geesten aan wie de Ainu respect moeten betonen om geen rampsoed over zich af te roepen.

Buiten, in de grijze kilte, werd er op een podium een traditionele dans uitgevoerd. Ik vond dat erg mooi.

 

 

Muziek en dans

Er is een theater in het park, daar worden ook dans- en muziekvoorstellingen gegeven. Je moet er een tijdsslot voor reserveren. Ik had gereserveerd om half vier, dat duurde nog uren, en ik had eigenlijk alles gezien. Ik zwierf door het park, voelde me een beetje verloren, overwoog om de trein terug naar Sapporo te nemen, maar wilde het Ainu-eten niet missen.

Blij dat ik heb volgehouden, want de voorstelling was fantastisch. Je mocht niet filmen of fotograferen. Ik ben dol op Ainu-muziek. Ik ben fan van Umeko Ando, helaas al 22 jaar dood. Het is ritmische, funky, beetje hypnotische muziek. Ik ben ook dol op de Oki Dub Ainu Band, die traditionele muziek combineert met dub en reggae en zo.

Misverstand in het restaurant

Na de voorstelling duurde het nog een hele poos voor het eten, maar ik besloot naar het restaurant te gaan om te vragen of ik misschien al eerder mocht, dan zou ik de avond door kunnen brengen in Sapporo. Ik werd ontvangen door een overdreven aardige jonge vrouw, die van geen reservering wist. De tijd waarop ik had gereserveerd, via een online reserveringsservice, Table-check of Table-log of zoiets, waren ze sowieso niet open, want het restaurant sluit tegelijk met het park. Sorry, sorry sorry, ik weet niet wat ik moet zeggen, wat erg voor u, de chef kwam erbij, sorry, sorry, zo erg, er is geen excuus. Maar het was hun schuld niet, ik gaf die online reserveringsservice de schuld. Wat fijn dat u het zo opneemt, wat aardig van u, heel erg bedankt.

Maar ik kon er gewoon eten. Ik had duizend yen voor die reservering betaald, maar boeien. Die vrouw vond het heel erg. Van de items op het menu was er ook maar één gerecht verkrijgbaar, hertenvlees op rijst. Ik nam er sake bij, die kreeg ik van het huis, hoezeer ik er ook op stond daarvoor te betalen want het was hun schuld niet.

Dat gerecht was me toch een potje zalig! Zo zacht en vol van smaak. Ongelofelijk lekker. De sake was trouwens ook heel bijzonder.

Het was wel een klein gerecht, en ik had de hele dag nog niet gegeten, dus ik kreeg er alleen maar meer trek van. Kwam die vrouw me vertellen dat er een vestiging van hetzelfde restaurant in Sapporo was, dat had ze gebeld en het was dát restaurant waar ik had gereserveerd.

Ze was zo aardig en zo vrolijk, zo belangstellend, vroeg waar ik vandaan kwam, wat ik deed. Bij het vertrek moest ik een plakkertje op een wereldkaart plakken op het land waar ik vandaan kom. Zij en de chef verontschuldgden zich nogmaals uitvoerig, hoewel het nu duidelijk was dat het mijn fout was. Nou ja, heel aardig allemaal.

Berenvlees

Ik heb me naar het station gehaast, want er was nog net tijd genoeg om, als het een beetje meezat, dat restaurant in Sapporo te halen en nog meer van dat lekkers te eten. Ik kocht een kaartje, liet me uitvoerig uitleggen welke trein van welk perron, ging toch nog in de verkeerde trein zitten, maar het was een snellere naar Sapporo, dus op zich een meevaller. Ik hield de conducteur aan die me het verschil liet betalen en me een niet-gereserveerde plaats wees. Zo gaat dat in Japan, niks geen boetes en ergernis, maar dienstbaarheid en de treinen altijd op tijd. Natuurlijk gedragen Japanse treinreizigers niet als de asociale honden die Nederlandse treinreizigers zijn.

In Sapporo stevig doorgestiefeld naar het Ainu-restaurant, dat trouwens Umizora no Haru heet, een izakaya was het eigenlijk, een Japans tapas-restaurant. Daar heb ik Ohaw gegeten, een Ainu-soup op basis van zeewier met groenten en vis en schelpdieren, bevroren zalm, makes total sense en het is erg lekker, vol van smaak. Daarna een soort tataki van zalm en het hoofdgerecht was een gerecht met rosé gebakken beren- en hertenvlees.

De bovenste foto is een amuse waarvan ik ben vergeten wat het was. Het was allemaal verschrikkelijk lekker. Er zullen wel mensen zijn die zeuren over het berenvlees, want vlees is alleen oké als het vlees is dat Nederlanders zelf eten, dus varken, kip en koe. Al het andere is zielig en wreed en zo. In NRC las ik dat dat speciësisme heet, maar ik schaar ook dit onder de noemer wit-suprematisme. Met het eten van beer heb ik trouwens bijgedragen aan een veiliger Japan.

O, en het is niet eens de eerste keer dat ik beer at. Ik kocht vorig jaar een blikje berenvlees in Tokio, bij een Hokkaidaans winkeltje, maar dat was zo sterk gekruid dat het echt elke vleessoort had kunnen zijn. Ik heb daar ook een blikje zeehond gekocht dat ik nog niet heb gegeten.

Al dit heerlijks kostte niet meer dan een paar duizend yen, iets van 25 euro. Niet te geloven, voor één van de lekkerste maaltijden ooit. Ik las over een Ainu-restaurant in Tokio, vrouwelijke chef ook nog, dat ik besloot te proberen, maar ik heb er daarna nooit meer aan gedacht. Gaat op mijn bucket-list.

De bergen in

De volgende dag heb ik weer door Sapporo gezworven. Ik kocht Hokkaidaanse bubbelwijn, een chardonnay, en een rode wijn, een pinot noir. Ik kocht ze vooral voor de etiketten, in die typisch Hokkaidaanse Oost-Europese tekenfilmachtige houtsnede-stijl die je overal ziet. Uniqlo had een collectie T-shirts in die stijl, daar heb ik er ook een aantal van gekocht.

Toen ik zo door Sapporo liep, viel me opeens op dat de bergen aan het einde van de grote straten heel erg dichtbij leken. Ik googelde of je vanuit de stad zo de bergen in kan lopen en dat bleek te kloppen. Maar omdat het mijn laatste dag was en de dag al aardig ver was gevorderd, was er geen tijd meer om nog te gaan hiken. Althans, ik ben te ongeoefend om na zonsondergang mijn weg weer uit de bergen te vinden. Ik had wel erg spijt dat ik niet eerder op het idee was gekomen. Nou ja, ook op mijn bucketlist.

Overigens heb ik het in Kobe wel gedaan, zo vanuit het stadscentrum de bergen in, het was geweldig.

Eten als een Mongool

In Sapporo is een gerecht populair dat Jingisukan heet, Genghis Khan. Het is een Mongoolse barbeque met vooral schapenvlees. Hoewel ik net heb beschreven dat ik bij de Ainu het ene vleesgerecht na het andere heb weggesmikkeld, ben ik niet zo heel erg van het vlees, maar op de een of andere manier had het idee bij me postgevat dat ik Sapporo niet mocht verlaten zonder Jingisukan te hebben genoten.

De barbeque was eigenlijk meer gourmetten op een bolvormige pan. Ik kreeg verschillende soorten schaap en lam, vond het orgaanvlees nog het lekkerst, maar dit is niet voor mij en ik wist het van tevoren. Het was wel gezellig, met gezellige, babbelige jongens in de bediening, ook iemand uit Sulawesi aan wie iedereen vroeg waar hij vandaan kwam vanwege zijn grote ogen. Mijn buurman was een Zuid-Koreaanse jongeman die honderduit over zichzelf vertelde maar kennelijk niet geïnteresseerd was in wie ik was en wat ik deed. Ik vind dat op zich fijn, maar het viel me wel op. Hij was piloot en klaagde dat het in zijn land bijna onmogelijk is om carrière te maken.

Vis en zeeëgel

Eenmaal buiten vond ik het wel zonde dat dit mijn laatste maaltijd in Sapporo zou zijn. Ik heb toen nog een izakaya gezocht om nog één keer een portie zeeëgel weg te spoelen met wat saké. Het werd zo’n massatentje waar ze al aan het opruimen waren maar waar ik nog wel wat mocht bestellen. Ik werd geholpen door een verschrikkelijk aardige jongeman die erop stond Engels te spreken (één fout in het Japans maken en er wordt meteen overgeschakeld naar Engels) en daar verschrikkelijk goed in was. De meeste Japanners spreken een Engels dat ik nauwelijks kan verstaan. Hij zei dat hij dat had geleerd van Netflix en Youtube.

De kaisendon en de zeeëgel waren verschrikkelijk lekker.

Tokkelen op een tonkori

Op weg naar huis liep ik langs het Odoripark, waar een duo genaamd bon “D” gon waanzinnig lekkere muziek stond te maken. Eén van hen bespeelde een tonkori, een traditioneel snaarinstrument van de Ainu, hij werd door zijn maat begeleid op de drums. Ik heb hun CD gekocht en een filmpje gemaakt. Check ze op Instagram.

En dat was mijn avontuur in Sapporo.

Nieuwsbrief